[eiser] , uit Afghanistan, eiser
(gemachtigde: mr. K.S. Kort),
en
de minister van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via telefoonverbinding), K. Wali als tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam] .
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser heeft verzocht om overbrenging van Afghanistan naar Nederland. Hij stelt dat hij in 2008 en 2009 als tolk heeft gewerkt voor de Nederlandse militaire missie in Uruzgan, Afghanistan. Hij is op 1 juni 2023 door het ministerie van Buitenlandse Zaken van Afghanistan naar Nederland overgebracht. Hij heeft na enkele maanden in Nederland zijn asielaanvraag ingetrokken en is teruggekeerd naar Afghanistan, omdat hij en zijn vrouw heimwee hadden. Volgens eiser bleek in Afghanistan dat de Taliban naar hem op zoek was. Hij stelt dat hij is aangehouden door de Taliban en enige tijd gevangen heeft gezeten. Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen omdat hij niet voldoet aan de criteria van de Tolkenregeling. Volgens verweerder heeft Nederland de verantwoordelijkheid genomen om hem in 2023 te faciliteren om naar Nederland te komen. Door zijn vrijwillige terugkeer naar Afghanistan is de verantwoordelijkheid van de Nederlandse Staat jegens eiser beëindigd. Daarnaast heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als tolk werkzaam is geweest voor de Nederlandse missie. Daarbij heeft verweerder onder meer betrokken dat eisers naam niet voorkomt in het digitale archief van de missies, dat de door eiser genoemde tolkenregistratienummers niet bestaan en dat een ingebrachte groepsfoto volgens een documentdeskundige is bewerkt. Aan de door eiser overgelegde certificaten twijfelt de documentdeskundige eveneens.
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser voert aan dat hij in 2023 met zijn gezin in aanmerking kwam voor overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling en dat hij daarbij dezelfde documenten heeft overgelegd als die nu ten grondslag liggen aan zijn verzoek. Het is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel om hem nu op basis van diezelfde documenten de overbrenging te weigeren. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd op grond waarvan de screening nu tot een ander resultaat zou moeten leiden. Eiser betwist dat hij foto’s en documenten vervalst zou hebben en dat er aanwijzingen zouden zijn dat aan de echtheid van de documenten kan worden getwijfeld. Met de stelling dat namen op documenten lijken te zijn aangebracht, is onvoldoende gemotiveerd dat het dus vervalsingen zouden zijn. Het is net zo goed mogelijk dat degene die de certificaten heeft opgesteld de naam op deze wijze heeft aangebracht. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan aan het ontbreken van zijn naam in het missiearchief de conclusie zou kunnen worden verbonden dat hij niet als tolk voor de missie heeft gewerkt. De registratie in het missiearchief was namelijk onvoldoende sluitend. Uit het feit dat het door hem genoemde tolkenregistratienummer niet bestaat en dat de door hem genoemde Nederlandse militair niet voor zou komen in het namenbestand van Defensie kan ook niet de conclusie worden getrokken dat hij niet als tolk werkzaam is geweest. Hij was allerminst zeker van deze informatie, temeer daar het al heel lang geleden is dat hij voor de missie heeft gewerkt. Hij kan zich hebben vergist. Zijn getuige heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat iemand tegenover hem heeft verklaard dat eiser als tolk op Deh Rawod heeft gewerkt. Deze verklaring is ondersteunend voor de stelling dat hij wel degelijk als tolk heeft gewerkt. Uit de bestreden beslissing blijkt niet op welke wijze deze verklaring is meegewogen in de besluitvorming. Een andere getuige heeft in een in beroep overgelegde verklaring verduidelijkt dat er een goede reden was voor het feit dat hij ervan uitging dat eiser als tolk werkte: hij ontmoette hem op een plek, waar alleen tolken mochten komen. Eiser heeft in beroep verder twee foto’s overgelegd van hemzelf aan het werk met Nederlandse militairen, een certificaat, een ‘letter of appreciation’ en een brief die afkomstig is van de Taliban waaruit blijkt dat de Taliban op de hoogte is van zijn werkzaamheden als tolk en zijn verblijf in Nederland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De Tolkenregeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie. Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die aan de hand daarvan worden genomen wel als besluiten in de zin van het bestuursrecht. Het gaat bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. De bestuursrechter toetst buitenwettelijk beleid aan het evenredigheidsbeginsel als de betrokkene zich daarop beroept. Omdat de beslissingsruimte van het bestuursorgaan bij dit type beleid groot is, leidt dit in beginsel tot een terughoudende toets. Het is in principe aan degene die zich op de Tolkenregeling beroept om aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij of zij dergelijke werkzaamheden heeft verricht en daardoor op het moment van de beslissing om overbrenging persoonlijk gevaar loopt.
4. De rechtbank overweegt dat de Tolkenregeling een bijzondere voorziening is, bedoeld om mensen in Afghanistan, die stellen dat om veiligheidsredenen nodig te hebben, onder voorwaarden naar Nederland te laten overkomen. Verweerder heeft terecht gesteld dat de bescherming die de Tolkenregeling biedt zich niet uitstrekt tot het faciliteren van terugkeer naar Afghanistan en het vervolgens wederom bieden van de mogelijkheid naar Nederland te komen. Dat in de Tolkenregeling zelf niet staat dat de toepassing is beperkt tot één keer doet daar niet aan af. Verweerder is daarom niet gehouden om iemand die zelf vrijwillig uit Nederland naar Afghanistan is teruggekeerd nadat hij eerder onder de Tolkenregeling naar Nederland was gekomen, opnieuw onder de Tolkenregeling te beoordelen. Reeds hierom mocht verweerder het verzoek om overbrenging afwijzen.
5. Daarnaast heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2008 en 2009 als tolk heeft gewerkt in Tarin Kowt, Uruzgan. Dat verweerder bij de eerdere overbrenging heeft aangenomen dat eiser werkzaamheden als tolk heeft verricht maakt niet dat verweerder daar bij het onderhavige verzoek op grond van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel ook van uit moest gaan. Het gaat immers om een nieuw verzoek en het is aan eiser om aan te tonen dat hij als tolk heeft gewerkt. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser bij zijn verzoek twee ‘certificates of appreciation’ overgelegd en kopieën van foto’s waarop hij te zien is met andere personen. Verweerder heeft terecht gesteld dat er sterke aanwijzingen zijn dat er met de certificaten en foto’s is geknoeid. Zo lijkt het erop dat de namen in de certificaten zijn gemonteerd en is geconstateerd dat op de laatste groepsfoto het hoofd van eiser is gefotoshopt. Eiser heeft, ook op de zitting, onvoldoende overtuigende verklaringen gegeven voor de geconstateerde afwijkingen en ongerijmdheden. In het licht daarvan zijn ook de in beroep overgelegde stukken onvoldoende om de werkzaamheden alsnog aannemelijk te achten. Ook de verklaringen van de getuigen zijn van onvoldoende gewicht om tot een andere conclusie te leiden.
6. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het beleid in dit concrete geval zodanig onevenredig uitpakt dat verweerder de komst van eiser naar Nederland alsnog had moeten faciliteren. Verweerder heeft het verzoek om overbrenging daarom kunnen afwijzen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek van eiser om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Nobel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.