[naam],
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 10 oktober 2023.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft
gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2. Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 het in deze zaak toepasselijke wijzigingsbesluit. Anders dan deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 11 april 2024 heeft geoordeeld, is zij thans van oordeel dat dit besluit onrechtmatig is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiseres diende te nemen. Met het besluit van 19 november 2024 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Libanon vanaf 14 november 2024. Het BVM gold tot en met 13 mei 2025.
3. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen prematuur is ingediend, omdat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen nog niet was verstreken gelet op het BVM. Met het BVM is de beslistermijn voor lopende asielaanvragen van vreemdelingen uit Libanon verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden.
4. De rechtbank volgt de minister niet en overweegt als volgt. De grondslag voor het BVM ligt in de Vw, waarin bepalingen van de Procedurerichtlijn zijn geïmplementeerd. Op basis van deze bepalingen kunnen lidstaten een besluit in individuele gevallen uitstellen bij een onzekere situatie in het land van herkomst. Gelet hierop zal de rechtbank de term “verlengen” opvatten als opschorten. Er is geen sprake van verlengen zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, van de Vw. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst dermate complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en is de minister verplicht weer besluiten te nemen. Dat de wet en het BVM zelf over “verlengen” spreken in plaats van “opschorten” doet hieraan niets af. Nu de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet, komt daaraan naar het oordeel van de rechtbank meer gewicht toe.
5. Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd. In de zaak van eiseres is de aanvraag ingediend op 10 oktober 2023. De beslistermijn was voordat het BVM van kracht werd al verstreken. De opschorting van de beslistermijn betekent in dit geval dat de minister uiterlijk op 14 mei 2025 een besluit had moeten nemen op de asielaanvraag. Eiseres heeft de minister na het verstrijken van deze datum in gebreke gesteld en verzocht om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. De minister heeft dit niet gedaan en eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
6. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’.
7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
8. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
9. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiseres een dwangsom verschuldigd.
11. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.