[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Ugandese nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 september 2025 niet in behandeling genomen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, samen met zaaknummer NL25.42566, op
12 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eisers gemachtigde in de gelegenheid te stellen te reageren op de door de minister op de zitting ingenomen standpunten. Bij bericht van 15 december 2025 heeft de gemachtigde van eiser hieraan gevolg gegeven. In reactie hierop heeft de minister op 16 december 2025 verwezen naar het bestreden besluit en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek op
16 december 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 11 juli 2025 bij Zweden een verzoek om overname gedaan. Zweden heeft dit verzoek op
14 juli 2025 aanvaard op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
Beroepsgronden en reactie
5. In de beroepsgronden en in het bericht van 15 december 2025 betoogt eiser
- samengevat - het volgende. Eiser is slachtoffer van mensenhandel en heeft er daarom belang bij om in Nederland te blijven, omdat er in Zweden geen effectieve aangifte van mensenhandel kan worden gedaan. Op 9 september 2025 is eiser gehoord door opsporingsambtenaren van de politie en heeft het OM op 18 september 2025 geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om tot een strafrechtelijk onderzoek te komen. Op dat moment lag er al een beslissing van de minister om eiser over te dragen aan Zweden, wat voorbarig was. Dat de procedure in het kader van mensenhandel is afgerond, maakt niet dat verder strafrechtelijk onderzoek niet meer tot de mogelijkheden behoort. Daarnaast voert eiser aan dat hij in contact staat met de GGZ en het mogelijk is dat hij binnenkort onder medische behandeling komt te staan. Van belang is de vraag of er problemen zijn die specialistisch behandeld moeten worden en of de behandeling minder adequaat zal zijn als hij wordt overgedragen aan Zweden. Eiser meent dan ook dat er voldoende individuele omstandigheden zijn die ertoe nopen dat inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag, op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, toch in Nederland moet plaatsvinden.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft gedaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ten overvloede oordeelt daarom de rechtbank dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2024, de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zweden.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 30 maart 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2023 is de rechtbank van oordeel dat de verblijfssituatie van eiser in verband met een aangifte van mensenhandel in beginsel niet in de weg behoort te staan aan de voortgang van de Dublinprocedure. De minister hoefde dan ook niet te wachten met beslissen totdat eiser in de gelegenheid was gesteld om de aangifte daadwerkelijk te doen. Als de besluitvorming in het kader van toepassing van de Dublinverordening doorgang kan vinden, ook als er mogelijk sprake is van (aangifte van) mensenhandel, is het naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet zo dat de eiser over hetzelfde onderwerp met een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening alsnog het tegendeel kan bereiken.
In aanvulling op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de minister op de zitting stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat het Landelijk Parket bij besluit van 15 september 2025 heeft overwogen dat er geen vervolging wordt ingesteld en dat op basis van eisers aangifte zijn aanwezigheid in Nederland niet noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel. Dat eventueel een nieuwe mensenhandelprocedure kan worden opgestart is geen omstandigheid die zo bijzonder of individueel is dat de minister op grond daarvan had moeten concluderen dat overdracht leidt tot onevenredige hardheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Met betrekking tot de medische omstandigheden oordeelt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij onder medische behandeling staat. Voor zover hij meent dat hij alsnog onder medische behandeling zal komen te staan, oordeelt de rechtbank dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Zweden geen toegang tot medische zorg kan krijgen of dat hij daar niet passend kan worden behandeld. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor eventuele medische behandeling. De door eiser overgelegde GGZ-afspraakbevestiging maakt dat niet anders. De rechtbank ziet ook voor het overige geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de minister de aanvraag aan zich dient te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser mag daarom worden overgedragen aan Zweden en krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.