RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6266
(gemachtigde: mr. T.J. Wintermans),
en
(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).
1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiseres die zij op grond van de Participatiewet (Pw) heeft ontvangen. Eiseres is het er niet mee eens dat zij haar bijstandsuitkering gedeeltelijk moet terugbetalen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering terecht heeft herzien en teruggevorderd. Het college heeft het terugvorderingsbedrag onjuist vastgesteld, omdat het een te laag bedrag aan giftenvrijlating heeft toegepast. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 19 januari 2024 heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres herzien en over de periode van 5 juli 2023 tot en met 31 december 2023 een bedrag teruggevorderd van € 2.521,97 aan onterecht ontvangen bijstand. Met het bestreden besluit van 3 juni 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de terugvordering verlaagd vastgesteld op € 2.246,56.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld. Hierbij was de gemachtigde van het college aanwezig. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres ontving vanaf 5 juli 2023 een bijstandsuitkering van € 535,90 per maand. Eiseres heeft bij de aanvraag aangegeven dat zij geld verdient als honden-en kattenoppas en met de verkoop van kleding via Vinted. Ook ontvangt zij maandelijks een bedrag van € 300,- van haar moeder als vergoeding voor het doen van werkzaamheden voor haar moeder in het kader van mantelzorg.
Op 26 oktober 2023 heeft het college aan eiseres schriftelijk gevraagd om een overzicht van haar inkomsten over de periode van 1 juli 2023 tot en met 31 oktober 2023 en alle bankafschriften over die periode. Eiseres heeft deze informatie op 6 en 7 november 2023 aangeleverd. Dit heeft geleid tot het besluit van het college van 19 januari 2024.
Het college heeft het bezwaar van eiseres tegen dat besluit gegrond verklaard en de terugvordering verlaagd tot € 2.246,56. Het college stelt zich op het standpunt dat de ontvangen gelden uit de verkoop van kleding via Vinted en van de honden- en kattenopvang als inkomsten moeten worden aangemerkt en de stortingen afkomstig van haar moeder als schenkingen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze stortingen leningen zijn. Op grond van het beleid mag zij jaarlijks € 1.200,- aan schenkingen ontvangen zonder dat dit invloed heeft op haar bijstandsuitkering. De verkregen inkomsten uit Vinted, de honden- en kattenopvang, haar inkomsten als mantelzorgster van haar moeder en de stortingen van haar moeder moeten per maand worden verrekend met haar recht op een bijstandsuitkering. Omdat haar inkomsten te hoog waren om nog voor bijstand in aanmerking te komen heeft het college het te veel ontvangen bedrag teruggevorderd. Op de terugvordering heeft het college een nabetaling van € 126,60 over juli 2023 in mindering gebracht. Daardoor bedraagt de terugvordering in totaal € 2.246,56. Dringende redenen om van terugvordering af te zien acht het college niet aanwezig.
Wat oordeelt de rechtbank?
4. Eiseres vindt ten eerste dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de noodzakelijke kosten die zij heeft moeten maken om inkomsten uit Vinted te verkrijgen. Zij verkoopt in veel gevallen kleding, of andere zaken, die niet van haarzelf zijn. In die gevallen moet zij ook een vergoeding betalen aan degene van wie de spullen waren. Met deze verwervingskosten is ten onrechte geen rekening gehouden. Daarom kunnen de verkoopopbrengsten niet in zijn geheel als inkomsten worden beschouwd.
De rechtbank is het hier niet mee eens. Volgens vaste rechtspraak is voor verrekening van verwervingskosten in het kader van de bijstand geen ruimte. Het college heeft deze kosten daarom niet hoeven aftrekken van de inkomsten van eiseres uit Vinted.
Daarnaast stelt eiseres dat het geld dat zij van haar moeder heeft ontvangen geen schenking maar een lening is. Haar moeder is 94 jaar oud en is na twee hersenbloedingen niet meer in staat om een leenovereenkomst ondertekenen. Afgesproken is daarom met haar twee broers en haar moeder dat het geld dat eiseres van haar moeder ontvangt, beschouwt wordt als een lening, die zij bij het vrijvallen van de nalatenschap aflost. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eiseres een verklaring overgelegd die is ondertekend door de erfgenamen, waaruit volgt dat eiseres in 2023 een bedrag van € 5.400,- heeft geleend van haar moeder.
De rechtbank volgt eiseres ook hierin niet. Voor de bijstand zijn bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar de bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel in aanmerking te nemen middelen. Dit betekent dat deze bedragen moeten worden verrekend met de bijstand. Eiseres heeft in totaal € 5.400,- op haar bankrekening ontvangen van haar moeder in de periode van 5 juli 2023 tot en met 31 december 2023. Eiseres heeft deze bedragen kunnen gebruiken om de kosten van haar levensonderhoud te betalen. Het college heeft deze bedragen daarom terecht gezien als middelen die verrekend moeten worden met de bijstand.
Dat deze bedragen volgens eiseres leningen zijn in afwachting van de nalatenschap, maakt dit niet anders. Een geldlening is namelijk niet uitgesloten van het middelenbegrip. Dit is vaste rechtspraak. Ook geleend geld moet dus worden verrekend met de bijstand. Het college heeft overigens terecht opgemerkt dat het niet in het voordeel van eiseres zou zijn om het geld dat zij van haar moeder heeft ontvangen als lening te zien in plaats van een schenking. Dit zou namelijk ook betekenen dat het niet in aanmerking kan komen voor een vrijlating op grond van het giftenbeleid, terwijl dat nu wel het geval is.
Het college heeft ter zitting toegelicht dat de bijschrijvingen afkomstig van de moeder van eiseres – los van de € 300,- per maand die zij ontving als mantelzorgster – zijn aangemerkt als giften. Volgens het beleid van het college zijn onverplichte of onverschuldigde betalingen aan te merken als giften. Jaarlijks worden giften tot een bepaald bedrag vrijgelaten, dat wil zeggen dat deze niet worden verrekend met de bijstand. Sinds 24 mei 2024 en dus op het moment van de beslissing op bezwaar was het maximaal vrij te laten bedrag volgens het giftenbeleid € 1.800,-. Het college is uitgegaan van een vrijlating ter hoogte van € 1.200,-. Het college heeft ter zitting erkend dat in het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met de verhoging van de vrijlating. Het college heeft de rechtbank verzocht om deze fout zelfvoorzienend te herstellen. Dit betekent dat de rechtbank met deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit zelf herstelt door de terugvordering met € 600,- te verlagen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit een gebrek heeft. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bedrag dat eiseres moet terugbetalen wordt verlaagd met € 600,-. Eiseres is dus € 1.646,56 verschuldigd aan het college.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten die eiseres in beroep heeft moeten maken, aangezien het geconstateerde gebrek zich niet voordeed bij het besluit van 19 januari 2024, maar alleen bij het bestreden besluit. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 904,- (voor het indienen van een beroepschrift 1 punt, bij een zaak van gemiddeld gewicht en een waarde per punt van € 904,-).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat eiseres € 1.646,56 verschuldigd is aan het college en dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten ten bedrage van € 904,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.