[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en
het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen, het college
(gemachtigde: mr. A. del Rio).
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag tot verstrekking van een opvouwbare scootmobiel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Met het besluit van 14 februari 2022 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser om een opvouwbare scootmobiel afgewezen.
Met het besluit van 9 september 2022 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 1 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
In de tussenuitspraak van 5 maart 2024 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op 5 juni 2024 heeft de rechtbank – op verzoek van het college – drie maanden uitstel verleend. Het college heeft op 10 juli 2024 in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. De rechtbank heeft dit op 26 maart 2025 met eiser gedeeld. Eiser heeft op 1 mei 2025 een reactie ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 14 juli 2025.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het door het college verrichte onderzoek naar aanleiding van de aanvraag van eiser om een opvouwbare scootmobiel op grond van de Wmo, niet in overeenstemming is met de wijze zoals door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is voorgeschreven. Het onderzoek van het college is gericht geweest op de vraag van welke voorliggende voorzieningen eiser gebruik kan maken ter compensatie van zijn beperkingen. Hiermee heeft het college miskend dat de vraag of een voorliggende voorziening een oplossing kan bieden, pas kan worden beantwoord als eerst de door eiser benodigde ondersteuning naar aard en omvang is onderzocht. Nu niet alle stappen zijn genomen, ontbreekt een deugdelijke en objectieve onderbouwing voor het standpunt van het college. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het zorgvuldigheidsgebrek te herstellen door nader onderzoek te doen conform het stappenplan van de CRvB.
4. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een verkort ondersteuningsplan
opgesteld. Het college heeft hierbij, aan de hand van het stappenplan van de CRvB, beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een opvouwbare scootmobiel. Om te onderzoeken of eiser in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, moet goed en volledig onderzoek gedaan kunnen worden. Dit is volgens het college niet gelukt. Het is niet mogelijk gebleken om eiser op een constructieve wijze telefonisch of tijdens een huisbezoek te spreken. Eiser werd boos en uitte bedreigingen, waardoor het telefoongesprek en huisbezoek vroegtijdig werden beëindigd. Eiser is ruimschoots in de gelegenheid gesteld om via zijn gemachtigde de vragen van het college te beantwoorden. Het is aan eiser te wijten dat hij dit niet afdoende heeft gedaan. Het college herziet daarom de beslissing op bezwaar van 9 september 2022, in die zin dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening, aldus het college.
5. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat eiser onvoldoende medewerking heeft verleend in de zin van artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015. Het college heeft inzichtelijk gemotiveerd op welke wijze meermaals is getracht met eiser in overleg te treden over, met name, de vraag in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen, de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Hierbij is van belang dat het college geen onderzoek heeft kunnen verrichten naar de opvouwbare scootmobiel die eiser thans in zijn bezit heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende gelegenheid heeft gekregen om mee te werken aan het onderzoek. Eiser is daarnaast in staat gesteld om via zijn gemachtigde de vragen te beantwoorden. Ook in reactie hierop heeft eiser onvolledige antwoorden gegeven. Dat het eiser frustreert dat het zo lang duurt en dat de gemeente volgens eiser dingen vroeg waar hij al eerder antwoord op zou hebben gegeven, ontslaat eiser niet om zijn volledige medewerking te verlenen aan het onderzoek. Al met al heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting en dat het recht op een maatwerkvoorziening hierdoor niet kan worden vastgesteld. Het college heeft daarom de afwijzing van de aanvraag van eiser op deze grond in stand mogen laten.
6. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak van 10 juli 2024 het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-) bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt een bedrag van € 1.814,-.
8. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoel in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Na de tussenuitspraak en het verstrijken van de termijn waarbinnen het college in de gelegenheid was gesteld om het bestreden besluit te herstellen, heeft eiser de rechtbank meerdere malen verzocht om duidelijkheid omtrent de stand van zaken. De rechtbank heeft nagelaten om eiser op een adequate wijze en in overeenstemming met hetgeen bepaald in artikel 8:51c van de Algemene wet bestuursrecht, te mededelen op welke wijze het beroep verder werd behandeld. Gelet hierop heeft de afdoening van deze zaak onnodig lang geduurd.
Geschillen behoren binnen een redelijke termijn te worden berecht. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van een half jaar voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg (eind)uitspraak heeft gedaan. De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond.
In een geval als dit, waarin pas na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend, tenzij er in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd. In dat geval komt de periode waarmee die rechtelijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, voor rekening van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechtbank is geen sprake als de periode van het instellen van beroep tot de tussenuitspraak ten hoogste anderhalf jaar heeft geduurd en de rechtbank vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.
De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 24 februari 2022, de datum waarop eiser bezwaar heeft ingediend. Dit betekent dat de redelijke termijn op 24 februari 2024 afliep. Gelet op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden met (afgerond naar boven) 18 maanden. Uitgaande van deze overschrijding heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 1.500,-.
Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college respectievelijk aan de rechtbank. De bezwaarprocedure heeft – gerekend vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 24 februari 2022 tot aan het bestreden besluit van 9 oktober 2022 – 7 maanden geduurd. Dit is een overschrijding van 1 maand. De procedure bij de rechtbank heeft – gerekend vanaf de datum van de beslissing op bezwaar tot deze uitspraak – ruim 35 maanden geduurd. Dit is een overschrijding van 17 maanden. Ten tijde van het toepassen van de bestuurlijke lus op 5 maart 2024, was de redelijke termijn in de rechterlijke fase nog niet overschreden. De rechtbank heeft echter niet binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het college van 10 juli 2024, waarbij de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld met de rechtbank is gedeeld, einduitspraak gedaan. De overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase komt daarom voor rekening van de Staat.
Het bedrag van € 1.500,- zal in evenredigheid worden toegerekend aan het college en de Staat. De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van een bedrag van € 83,33 (1/18 van € 1.500) en de Staat tot betaling van een bedrag van € 1.416,67 (17/18 van € 1.500).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-;
veroordeelt het college tot vergoeding van de schade aan eiser tot een bedrag van € 83,33;
veroordeelt de Staat tot vergoeding van de schade aan eiser tot een bedrag van € 1.416,67,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.