RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
de Minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2172
V-nummer: [V-nummer] , eiseres
gemachtigde: mr. V. Senczuk,
en
gemachtigde: mr. I. van Es.
1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling dat eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad als gemeenschapsonderdaan. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister heeft kunnen vaststellen dat eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad als gemeenschapsonderdaan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister heeft kunnen vaststellen dat eiseres nooit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 4 juli 2024 heeft de minister vastgesteld dat eiseres nooit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad. Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde waren niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Het standpunt van eiseres
Inleiding
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Roemeense nationaliteit. De partner van eiseres is [naam] . Eiseres en haar partner hebben twee kinderen, [kind 1] en [kind 2] , die beide de Nederlandse nationaliteit hebben. Eiseres heeft een tijdje in Spanje gewoond en heeft haar partner tijdens een bezoek aan Nederland leren kennen. Zij is daarna naar Spanje teruggekeerd en haar partner bezocht haar aldaar. Haar oudste zoon is in Spanje geboren. Eiseres, haar partner en hun oudste zoon zijn toen vertrokken naar Roemenië. Daar is de partner van eiseres aangehouden en later in Nederland in detentie geplaatst. In mei 2023 is eiseres met haar oudste zoon naar Nederland gekomen. De jongste zoon is in Nederland geboren.
4. Bij brief van 20 september 2023 heeft de gemeente Enschede de minister laten weten dat naar aanleiding van een beroep van eiseres op de algemene middelen een onderzoek is ingesteld naar het verblijfsrecht op grond van het gemeenschapsrecht.
5. Op 5 maart 2024 heeft de minister eiseres een voornemen gestuurd waarin is vermeld dat van de gemeente Enschede is vernomen dat eiseres een bijstandsuitkering ontvangt en dat twijfel is ontstaan of zij in Nederland mag verblijven. De minister verzoekt eiseres om informatie over te leggen om het verblijfsrecht te kunnen beoordelen.
Het bestreden besluit
6. De minister heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat eiseres geen of nooit rechtmatig verblijf heeft gehad als gemeenschapsonderdaan, omdat zij niet als economisch actieve en niet als economisch niet-actieve kan worden aangemerkt. Eiseres heeft immers niet als werknemer of zelfstandige arbeid verricht in Nederland. Ook is eiseres geen werkzoekende. Verder is niet gebleken dat eiseres voldoende middelen van bestaan heeft gehad voor zichzelf en haar familieleden. De minister heeft de belangenafweging in het kader van de toelaatbaarheid van de verwijdering in het nadeel van eiseres laten uitvallen. Ook de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft de minister in het nadeel van eiseres laten uitvallen. In het bestreden besluit is de minister bij het primaire besluit gebleven. Daarnaast heeft de minister de in bezwaar overgelegde stukken beoordeeld en geconcludeerd dat een eventuele vrijstelling van de sollicitatieplicht niet tot behoudt van rechtmatig verblijf leidt. Ten aanzien van de middelen van bestaan heeft de minister geconcludeerd dat niet is gebleken dat het inkomen dat de partner van eiseres in detentie ontvangt, voldoende is om in hun gezamenlijke levensonderhoud te voorzien. De belangenafwegingen zijn op een aantal punten aangevuld. Voor zover van belang zal dat hierna aan de orde komen.
7. Eiseres heeft aangevoerd dat de minister de belangenafweging ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen. Het bestreden besluit is volgens haar in strijd met artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK. Omdat eiseres geen verblijf in Nederland wordt toegestaan, worden haar kinderen gedwongen haar naar Roemenië te volgen omdat de detentie van haar partner ten tijde van het bestreden besluit nog voortduurde. Na zijn vrijlating zal de partner inkomen kunnen verwerven. Eveneens heeft de minister ten onrechte geen aanleiding gezien wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels.
8. In de aanvullende gronden heeft eiseres aangevoerd dat sprake is van een gebrekkige belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft volgens eiseres onvoldoende belang toegekend aan de Nederlandse nationaliteit van de kinderen en ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Ook is onvoldoende waarde gehecht aan de concrete vooruitzichten op verbetering van de economische situatie. De detentie van de partner van eiseres is beëindigd, zodat hij thans een gezinsinkomen kan verwerven. Verder vindt eiseres dat de minister haar integratie-inspanningen (taalles en de wil om te gaan werken) heeft ondergewaardeerd. In het kader van het belang van het kind heeft eiseres aangevoerd dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de zorgbehoefte van [kind 1] . Eiseres is het er niet mee eens dat zij moet aantonen dat behandeling en/of zorg niet beschikbaar is in Roemenië. Zij vindt dat de minister hier zelf onderzoek naar had moeten doen. Zorgcontinuïteit van een mogelijk autistisch kind vormt hierbij een zwaarwegend belang. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat sprake is van onevenredigheid nu de bijstandsafhankelijkheid tijdelijk is en er concreet uitzicht is op verbetering. De zware impact op de kinderen is disproportioneel. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en in strijd met artikel 8 van het EVRM, artikel 7 en 24 van het Handvest van de Europese Unie en artikel 3 van het IVRK.
Het oordeel van de rechtbank
9. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor verblijf als gemeenschapsonderdaan, omdat zij niet als economisch actieve en niet als economisch niet-actieve kan worden aangemerkt. Ook is de belangenafweging in het kader van de verwijdering niet in geschil. De vraag die enkel voorligt is of de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres heeft kunnen laten uitvallen en heeft kunnen besluiten eiseres op grond hiervan geen verblijfsvergunning te verlenen.
10. De minister heeft in het kader van artikel 8 van het EVRM geconcludeerd dat eiseres nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en dat dat maakt dat het belang van de overheid dan meestal zwaarder weegt. Alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn, maar daarvan is in het geval van eiseres niet gebleken. Bij de belangenafweging heeft de minister in het nadeel van eiseres betrokken dat zij geen rechtmatig verblijf had toen zij familieleven uitoefende en er geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Roemenië uit te oefenen. Verder zijn de banden die eiseres met Roemenië heeft sterk en heeft zij, behalve via de band met haar partner en diens ouders, geen banden met Nederland. Ook weegt in het nadeel mee dat eiseres geen eigen inkomen heeft (economische belang). Zij heeft enkel een bijstandsuitkering. In het kader van het belang van de kinderen heeft de minister geconcludeerd dat een belangenafweging alleen in het voordeel van eiseres uitvalt als sprake is van een heel bijzondere situatie, maar dat daarvan niet is gebleken.
In het kader van het privéleven heeft de minister vastgesteld dat eiseres in Nederland privéleven heeft, maar dat dit alleen in uitzonderlijke gevallen tot een verblijfsvergunning kan leiden. Daarvan is in het geval van eiseres geen sprake, omdat niet is aangetoond dat eiseres een sterke band met Nederland heeft. De detentie van de partner van eiseres is evenmin als zodanige bijzondere omstandigheid aangemerkt, omdat eiseres en de kinderen tijdens de detentie van de partner/vader contact zijn blijven houden. Het economische belang weegt ook in het nadeel.
Het economisch belang
11. In het kader van het economische belang heeft de minister eiseres tegengeworpen dat zij geen eigen inkomen heeft, maar een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet. Ook het inkomen van haar partner die ten tijde van de besluitvorming in detentie verbleef, is onvoldoende gebleken om eiseres en de kinderen te kunnen onderhouden. De minister verwacht niet dat eiseres binnen een redelijke termijn voldoende eigen inkomen heeft.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het economische belang in het nadeel van eiseres kunnen meewegen. Niet is betwist dat toen (en thans) geen sprake is van een eigen inkomen van eiseres of een voldoende inkomen van de partner van eiseres om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. In de gronden van beroep is enkel gesteld dat eiseres zelf werk wil zoeken als de kinderopvang is geregeld en dat haar partner na zijn vrijlating inkomen kan verwerven. De minister heeft dit ter zitting als onzekere toekomstige gebeurtenis kunnen aanmerken en deze beroepsgrond onvoldoende kunnen achten voor een ander oordeel in het kader van de belangenafweging van het economische belang. De beroepsgrond slaagt niet.
Banden met Nederland
13. De banden van eiseres met Roemenië heeft de minister sterker geacht dan haar banden met Nederland. Eiseres is in Roemenië opgegroeid en heeft het grootste deel van haar leven daar doorgebracht. Ook wonen de moeder van eiseres en haar broer, tante, neefjes en nichtjes in Roemenië. In Nederland heeft eiseres alleen een band met haar partner en diens ouders en haar verblijf in Nederland is relatief kort. In het kader van het privéleven van eiseres heeft de minister eiseres tegengeworpen dat de banden die zij in Nederland heeft opgebouwd toen zij geen rechtmatig verblijf had, niet zwaar wegen. Eiseres heeft immers niet met stukken aangetoond welke banden zij heeft en hoe sterk deze banden zijn. Ook heeft zij niet aangetoond over een sociaal netwerk, anders dan met haar schoonouders, te beschikken. Los daarvan, kan eventueel contact met vrienden in Nederland ook vanuit het buitenland plaatsvinden via telefoon, internet of korte bezoeken. Verder spreekt eiseres de Nederlandse taal (nog) niet goed. Dat eiseres geen vrienden meer heeft in Roemenië betekent niet dat zij niet naar Roemenië terug kan keren. Zij heeft immers bijna haar hele leven in Roemenië gewoond, is daar naar school gegaan, speekt de taal en is bekend met de gebruiken en de cultuur. Ook heeft eiseres goed contact met haar moeder en tante. De minister heeft daarom in het nadeel van eiseres meegewogen dat haar banden met Nederland niet sterk zijn.
14. De rechtbank overweegt dat eiseres in dit kader enkel heeft gesteld dat de minister haar integratie-inspanningen, namelijk het volgen van taallessen en de wil om te gaan werken, onvoldoende heeft meegewogen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In het bestreden besluit heeft de minister namelijk geconcludeerd dat eiseres de taal (nog) niet goed spreekt. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat niet is meegewogen dat eiseres taalles volgt, maar dat een afweging van meerdere belangen, waaronder de taal, in het nadeel van eiseres is uitgevallen. Over de wil van eiseres om te werken overweegt de rechtbank dat dit een onzekere toekomstig gebeurtenis is die daarom (nog) niet kan worden meegewogen. Verder overweegt de rechtbank dat er in dit kader meerdere - niet door eiseres betwiste - belangen zijn meegewogen (sociaal netwerk, contact op afstand etc) en is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat de banden van eiseres met Nederland niet sterk zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
De belangen van de kinderen
15. In het bestreden besluit verwoordt de minister dat rekening is gehouden met de situatie van de kinderen en dat hun belangen worden meegewogen. Alleen in bijzondere situaties valt een belangenafweging in het voordeel van de kinderen uit, maar daarvan is in het geval van eiseres niet gebleken. Ondanks dat in het voordeel meeweegt dat de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, weegt in het nadeel mee dat de kinderen nog jong zijn en zij nog niet veel banden met Nederland hebben opgebouwd. Ze gaan immers nog niet naar school en hebben nog geen vriendschappen opgebouwd. Dat de oudste zoon in Nederland wordt onderzocht op een autisme spectrum stoornis, maakt dit niet anders. Niet is uit de overgelegde stukken namelijk gebleken dat er voor hem geen behandeling/zorg mogelijk is in Roemenië. Bovendien kan eiseres de kinderen voldoende ondersteunen en begeleiden om grote problemen in hun ontwikkeling te voorkomen of op te vangen. Hoewel eventuele terugkeer in verband met de gezondheid van de oudste zoon wat lastiger kan zijn, kan eiseres daarvoor eventueel (professionele) hulp vragen.
16. De rechtbank stelt vast dat eiseres in dit kader enkel heeft gesteld dat onvoldoende belang is gehecht aan de Nederlandse nationaliteit van de kinderen en dat zij het er niet mee eens is dat zij moet aantonen dat behandeling of zorg voor haar oudste zoon in Roemenië niet mogelijk is. Zij vindt dat de minister hier onderzoek naar had moeten doen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een bijzondere situatie die maakt dat de belangenafweging in het voordeel van eiseres uitvalt. De rechtbank wijst op de weergave van de belangen die de minister daarbij heeft meegewogen en die de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 15 heeft weergegeven. Wat eiseres hiertegen heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Bovendien heeft eiseres enkel gesteld dat de medische situatie van haar oudste zoon maakt dat zij Nederland niet kunnen verlaten om naar Roemenië te vertrekken, dan wel dat haar zoon voor medische behandeling aan Nederland gebonden is. De minister heeft daarom niet ten onrechte geconcludeerd dat van eiseres verwacht mag worden dat zij dit standpunt (over medische behandeling in Roemenië) nader onderbouwt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Onevenredigheid
17. Dat sprake is onevenredigheid nu de bijstandsafhankelijkheid tijdelijk is en er concreet uitzicht op verbetering is, volgt de rechtbank niet. Dat er concreet zicht op verbetering zou zijn betreft vooralsnog een onzekere toekomstige gebeurtenis, zodat de beroepsgrond alleen daarom al niet kan slagen.
Dat sprake is van zware impact op de kinderen en dat dat disproportioneel is, is enkel gesteld maar op geen enkele wijze onderbouwd. Ook die beroepsgrond kan dan ook geen doel treffen.
18. Gelet op het voorgaande heeft de minister de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres laten uitvallen. De minister heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat de vaststelling dat eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
P.P. van Essen - van 't Ende, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.