RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] , eiseres/verzoekster,
[naam 1] en [naam 2]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.46038 (beroep) en NL25.46039 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [v-nummer 1] ,
mede namens haar minderjarige kinderen:
V-nummers: [v-nummer 2] en [v-nummer 3]
hierna gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),
en
(gemachtigde: mr. S. Beyik).
1. Eiseres komt met haar minderjarige kinderen [naam 1] en [naam 2] uit Iran. Eiseres heeft asiel gevraagd. Dat heeft verweerder afgewezen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank geeft eiseres in deze uitspraak gelijk. Eiseres is afvallig en dat is een probleem in Iran. Echter, de verwachting bestaat dat zij hierover in Iran zal liegen als dat nodig is. Dit heeft zij eerder ook altijd gedaan. Echter, haar zoon is niet gehoord terwijl hij dat wel wil. Eerder is gezegd dat zij niet hoefden te worden gehoord, maar verweerder had dat opnieuw moeten vragen gezien het tijdsverloop, omdat de belangen van haar kinderen zwaar wegen en de rechtbank deze niet terug leest in de motivering van het bestreden besluit, is het beroep gegrond.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 9 april 2023 een asielaanvraag ingediend. Eiseres is geboren op [datum 1] 1988, [naam 1] is geboren op [datum 2] 2010 en [naam 2] is geboren op [datum 3] 2014. Allen hebben de Iraanse nationaliteit. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 september 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij verzocht verweerder te verbieden haar uit te zetten totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, N. Wakili als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres is met haar kinderen uit Iran gevlucht omdat in de school van haar dochter giftig gas werd verspreid. Eiseres heeft haar dochter na die gebeurtenis gefilmd. Eiseres kreeg daarom problemen met de Iraanse inlichtingendienst. Eiseres werd door iemand van die inlichtingendienst gechanteerd om informatie te geven over andere ouders. Toen eiseres die informatie niet kon geven, wilde de agent seks met eiseres. Daarnaast is eiseres afvallige. Ze gelooft wel in een god maar niet in de god van de islam. Dit heeft zij in Iran niet geuit, maar in Nederland wel.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder vier asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met de man van de inlichtingendienst na de gifgasaanval;
3. eiseres is afvallig ;
4. eiseres heeft deelgenomen aan demonstraties in Iran en Nederland.
Verweerder heeft het eerste, derde en vierde asielmotief wel en het tweede asielmotief niet geloofwaardig geacht. Eiseres heeft haar problemen met de man van de inlichtingendienst niet onderbouwd met objectieve documenten. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres had het filmpje dat zij naar haar echtgenoot heeft gestuurd moeten kunnen overleggen. Ook heeft eiseres niet onderbouwd dat haar dochter daadwerkelijk naar de [school] school ging in Teheran. Daarnaast voldoet eiseres ook niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw. De verklaringen van eiseres vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Het is volgens verweerder ongerijmd dat de autoriteiten zoveel interesse in eiseres zouden hebben vanwege een video van haar kind die niet is verspreid. Daarnaast heeft eiseres niet gevraagd bij andere ouders of zij in de problemen zijn gekomen vanwege het maken van een video van hun kind, terwijl eiseres wel door van een ouder werd gebeld over de gifgasaanval op school. Eiseres heeft vaag en summier verklaard over de man van de inlichtingendienst. Verweerder ziet ook niet in waarom haar man, ondanks dat bekend was dat eiseres het filmpje naar hem toe zou hebben gestuurd, probleemloos in Iran kan verblijven.
Eiseres heeft volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolging en loopt bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer haar afvalligheid in Iran wil gaan uiten en op welke wijze. De afvalligheid was ook geen aanleiding voor haar vertrek. Niemand was daarvan op de hoogte en eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor van wezenlijk belang is om haar afvalligheid van de islam of geloofsovertuiging actief uit te dragen voor het behoud van haar religieuze identiteit. Daarbij is het niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer door de autoriteiten direct wordt ondervraagd. Eiseres behoort tot groep 2 genoemd in Informatiebericht 2023/35. Als haar eventueel in Iran wordt gevraagd of zij een verklaring wil ondertekenen dat zij moslim is, is dat niet dusdanig ernstig dat dit vervolging behelst. Dit geldt ook voor het eventueel monitoren door de autoriteiten na het ondertekenen van de verklaring. Eiseres heeft verder maar twee keer deelgenomen aan een demonstratie in Iran en in Nederland, verklaard dat zij niet politiek actief was in Iran en nog nooit persoonlijke problemen ondervonden vanwege haar politieke overtuiging of deelname aan demonstraties.
Eiseres krijgt een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 4 weken.
De omvang van het geding
5. De rechtbank constateert dat eiseres niet opkomt tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder over de gestelde problemen met de man van de inlichtingendienst na de gifgasaanval. Daarom beperkt het geschil zich tot de vraag of eiseres bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM vanwege haar afvalligheid en deelname aan demonstraties.
Loopt eiseres een reëel risico op ernstige schade?
6. Eiseres wijst op verschillende Algemene Ambtsberichten Iran van 2017, 2019, 2021 en 2023 waaruit blijkt dat personen die in Iran worden beschuldigd van afvalligheid of ketterij de doodstraf kunnen krijgen. Eiseres verwijst naar een jaarrapport van Human Rights Watch van 12 januari 2023, een USDOS rapport van 2 juni 2022 en een jaarrapport van Amnesty International van 29 maart 2022. Verder verwijst eiseres naar een tussentijds rapport uit augustus 2021 van de USCIRF, een landenrapport van het Australische ministerie van Buitenlandse Zaken en Handel van 14 april 2020 en de Country Guidance van het Britse Upper Tribunal van 20 februari 2020. Verweerder dient de uitingen in het verleden, de uiting in Nederland en de te verwachten uiting na terugkeer naar Iran beter te betrekken bij zijn beoordeling van het risico op ernstige schade. Eiseres uit haar afvalligheid door geen hidjab te dragen en openlijk aan te geven dat zij geen moslim is. Eiseres wil zich na terugkeer naar Iran ook zo gaan uiten. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 januari 2022, waaruit blijkt dat verweerder onderzoek moet doen naar de uiting bij terugkeer. Verweerder had hierover meer vragen moeten stellen tijdens het nader gehoor. Eiseres voert verder aan dat zij in Nederland heeft gedemonstreerd, dit op social media gemonitord kan zijn en dat de Iraanse autoriteiten haar daarom bij of na terugkeer zullen arresteren. Eiseres verwijst daarbij opnieuw naar landeninformatie over de werkwijze van de Iraanse autoriteiten. In dit kader stelt zij ook dat de situatie aan de grens onduidelijk is. Ze wijst op door de Afdeling gestelde vragen in vergelijkbare zaken. Er is een reële kans dat eiseres wordt ondervraagd op het vliegveld. Omdat zij afvallig is, al een tijd in Nederland is en hier aan demonstraties deelnam, zal dat tot problemen kunnen leiden. Verweerder mag niet verwachten dat zij gaat liegen over haar afvalligheid als zij hierover wordt bevraagd of een verklaring aflegt dat zij moslim is, aldus eiseres.
Toetsingskader
De rechtbank wijst allereerst op de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022. Verweerder mag, zo blijkt uit die uitspraak, van eiseres niet verlangen dat zij zich om vervolging te voorkomen in Iran terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van haar geloofwaardig geachte afvalligheid. Verweerder moet in dat kader onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid en of de verklaringen van de vreemdeling hierover geloofwaardig zijn. Als de vreemdeling daarover niet uitdrukkelijk verklaart, moet verweerder ervan uitgaan dat die vreemdeling na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan zijn afvalligheid wil geven als hij in Nederland heeft gedaan.
Ten tweede is van belang dat volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie in bij vrees voor vervolging op grond van godsdienst niet alleen dient rekening te worden gehouden met de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, maar ook met zijn godsdienstige overtuigingen en de omstandigheden waarin deze werden verworven, de wijze waarop hij zijn geloof opvat en beleeft (of het feit dat hij niet gelooft), zijn verhouding tot de dogmatische aspecten, rituelen of voorschriften van de godsdienst waartoe hij volgens zijn verklaringen behoort, of waarvan hij afstand wil nemen, het feit dat hij, in voorkomend geval, een bijzondere rol speelt bij het overbrengen van zijn geloof, alsook interacties tussen religieuze factoren en identiteits-, etnische of genderfactoren. Dit geldt ook voor het risico op ernstig schade ten gevolge van afvalligheid. Verder moeten de handelingen die de autoriteiten van het land van herkomst van die verzoeker, indien hij naar dat land terugkeert, ten aanzien van hem dreigen te stellen om redenen die verband houden met godsdienst, worden beoordeeld op basis van hun zwaarwichtigheid.
In het Informatiebericht 2023/35 staat beleid van verweerder in dit kader. Daarin is onder meer bepaald dat bij vreemdelingen van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht, verweerder conform de Werkinstructie 2022/3 dient te onderzoeken en beoordelen of de uitingen van de afvalligheid die ervoor zouden zorgen dat zij in de negatieve aandacht zouden komen te staan, van belang zijn voor het behoud van hun religieuze identiteit. Ook moet worden onderzocht en beoordeeld hoe en waarom de vreemdelingen in het land van herkomst uiting gaven aan hun overtuiging en hoe zij dit in Nederland hebben gedaan, als ook of en waarom zij dit bij terugkeer (anders) zouden willen doen en of dit geloofwaardig is. Als de vreemdeling in het land van herkomst en in Nederland zijn afvalligheid terughoudend of niet actief heeft geuit, dan is het in beginsel niet aannemelijk dat de vreemdeling in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven zal verklaren dat hij afvallig is. In dit geval is er, anders gezegd, in beginsel namelijk geen blijk dat dit voor de vreemdeling van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit, aldus het beleid.
Verder blijkt uit de Werkinstructie 2022/3 dat verweerder bij het beoordelen van de afvalligheid als afzonderlijk asielmotief de elementen proces en motieven, kennis, activiteiten en uiting betrekt. De rechtbank stelt vast dat, nu verweerder geloofwaardig acht dat zij afvallig is, de nadruk in het bestreden besluit ligt op de elementen activiteiten en de uiting.
Loopt eiseres na terugkeer in Iran een reëel risico op ernstige schade?
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiseres blijkt dat voor haar geen noodzaak is om zich na terugkeer te uiten over haar afvalligheid voor het behoud van haar religieuze identiteit. Anders gezegd: verweerder heeft ongeloofwaardig mogen achten dat zij zich na terugkeer op andere wijze zal uiten over haar geloof dan zij eerder deed in Iran. Verder oordeelt de rechtbank dat eiseres zich alsdan niet volledig zal kunnen uiten als afvallige terwijl zij dat wel zou willen. Aannemelijk is echter dat zij daardoor geen ernstige schade zal leiden. Dit wordt als volgt gemotiveerd.
In het verslag van het nader gehoor staat het volgende. Eiseres heeft verklaard dat zij zich jarenlang in Iran alleen naar haar echtgenoot heeft geuit als afvallige. Zij is één keer meegenomen door twee vrouwen van de ‘Islamtische begeleiding’ omdat zij de hidjab-voorschriften niet zou hebben nageleefd. Zij werd dezelfde dag weer vrijgelaten zonder vervolgd te worden. Over haar geloofsuiting in Nederland verklaarde ze dat ze er makkelijk met mensen over praat en dat ze vertelt dat ze enkel in god gelooft. Vervolgens zijn haar vragen gesteld over haar geloofsuiting na terugkeer. Ze verklaarde dat ze tegen iedereen wil kunnen zeggen wat ze gelooft zonder verplicht de hidjab te dragen, te bidden, te vasten of te doen alsof. Ook zal zij, zo verklaarde ze, andere mensen in Iran aanspreken op hun geloof. Toegelicht heeft ze dat zij niet meer op dezelfde manier als vroeger wil leven en dat ze niet wil dat haar kinderen op die wijze moeten leven. Daarna verklaarde ze dat ze, als ze in Iran iemand ziet bidden of vasten, degene niet daarop zou aanspreken en dat ze in Iran niet mag praten met iemand over het geloof. Op enig moment is teruggekomen op de verklaring van eiseres dat ze in Nederland makkelijk praat over haar geloof. Ze heeft toen verteld dat ze bijvoorbeeld praat met mensen in de beveiliging van het opvangcentrum die moslim zijn, dat die mensen vragen wat zij is en dat zij dan vertelt dat zij geen moslim hoeft te blijven van zichzelf. Ook heeft zij verklaard dat zij, als het wordt gevraagd, antwoordt dat zij geen geloof heeft, als ook dat zij het niet erg vindt als anderen met wie zij in gesprek is haar vertellen dat zij moslim zijn. Ten slotte heeft zij verklaard dat zij in Iran tegen iemand die zij over zijn geloof zou horen praten, zou zeggen dat zij geen goede ervaring heeft met de islam.
Uit de voorgaande verklaringen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder niet ten onrechte heeft gesteld dat eiseres zich in de toekomst in Iran niet zal uiten als afvallige. Uit de verklaringen dat zij zich in het verleden niet als zodanig heeft geuit in Iran, volgt in beginsel de verwachting dat zij zich bij terugkeer ook niet als zodanig zal uiten. Voor zover eiseres aanvoert dat zij in Iran niet zichzelf kon zijn en zij zich in Nederland heeft kunnen ontwikkelen en daardoor zich alsnog in Iran zal gaan uiten als afvallige, volgt de rechtbank haar daarin niet. Dat zij zich het liefst als afvallige wil uiten in Iran, leidt in ieder geval niet tot die conclusie. Verder heeft zij niet dusdanig verklaard dat daaruit alleen al volgt dat zij in Nederland gewend is geraakt om haar afvalligheid zodanig te uiten dat zij hiermee niet kan stoppen als zij terug is in Iran. Verweerder heeft ongeloofwaardig mogen achten de verklaring van eiseres dat zij, als zij in Iran iemand zal horen praten over zijn geloof, tegen degene zal zeggen dat zij geen goede ervaring heeft met de islam.
Eiseres heeft terecht gesteld dat verweerder van haar niet mag verlangen dat zij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van haar afvalligheid na de terugkeer in Iran. Dit doet verweerder echter ook niet. Verweerder gelooft niet dat eiseres zich niet opnieuw zal aanpassen aan de mores in Iran.
Dat eiseres zich als afvallige onderdrukt zal voelen na terugkeer, volgt de rechtbank. De vrijheid om zich te kunnen uiten als afvallige bestaat immers niet in Iran. Dit is echter niet voldoende om ernstige schade aannemelijk te achten. De rechtbank acht hierbij de persoonlijke omstandigheden van eiseres met name relevant, in het bijzonder de wijze waarop zij – gezien haar verklaringen – haar geloof opvat en beleeft. Aannemelijk is dat haar te verwachten terughoudende opstelling geen belangrijke aantasting van haar religieuze identiteit betekent. Zij heeft dit immers ook al jaren in Iran gedaan, terwijl dat ook niet de reden was voor haar vertrek. Ook zijn de uitingen en de activiteiten in Nederland op het gebied van haar afvalligheid niet van dusdanige niveau dat het onthouden daarvan voor haar persoonlijk ernstige schade betekent. Eiseres geeft geen blijk van een noodzaak tot uiten van haar afvalligheid en, bijvoorbeeld, de wens haar geloof over te brengen op derden.
De rechtbank oordeelt ook dat verweerder voldoende heeft doorgevraagd bij het nader gehoor. Uit het verslag blijkt dat verweerder heeft doorgevraagd over de wijze van uiting van eiseres haar geloof. Vervolgens heeft verweerder op een navolgend moment tijdens het gehoor opnieuw doorgevraagd op de gegeven antwoorden hierover. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat deze handelswijze niet in overeenstemming met de Werkinstructie 2022/3 is.
Ten aanzien van de demonstraties waaraan eiseres in Nederland heeft deelgenomen, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat niet aannemelijk is dat zij daardoor na terugkeer in Iran een reëel risico op ernstige schade loopt. Niet onderbouwd is dat eiseres bij de Iraanse autoriteiten in de negatieve belangstelling staat. Het is niet duidelijk of de Iraanse autoriteiten te weten zijn gekomen dat eiseres bij de demonstraties in Nederland aanwezig was. Hierbij is van belang dat eiseres niet heeft betwist dat de door haar overlegde screenshots van social media posts niet (meer) online te vinden zijn. De rechtbank acht in dit kader ook van belang dat uit de verklaringen van eiseres blijkt dat haar echtgenoot in Iran geen problemen heeft ondervonden. Volgens eiseres heeft de Iraanse inlichtingendienst voor het laatst in mei 2024 bij hem navraag naar eiseres gedaan. De rechtbank volgt verweerder dat het voor de hand ligt dat hij meer zou zijn bezocht als eiseres in de negatieve aandacht zou staan. Ook hieruit volgt dus niet dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van haar deelname aan demonstraties en dat zij daarom in de negatieve belangstelling staat. Het enkele feit dat de Iraanse autoriteiten activiteiten van Iraanse staatsburgers in het buitenland in de gaten houden, betekent niet dat aannemelijk is dat ook eiseres’ activiteiten bij hen bekend zijn. Verweerder heeft in dit verband er terecht op gewezen dat eiseres geen leidende of publieke rol heeft gehad bij de demonstraties in Nederland.
Loopt eiseres een reëel risico op ernstige schade door mogelijk onderzoek op het Iraanse vliegveld?
Uit het Algemeen ambtsbericht over Iran van september 2023 (AAB) maakt de rechtbank op dat er een reëel risico is dat eiseres bij aankomst op het vliegveld aan een onderzoek wordt onderworpen door de Iraanse autoriteiten en dat zij daarna enige tijd zal worden gemonitord. Volgens het AAB lopen met name Iraniërs met een dubbele nationaliteit het risico op ondervraging, maar is ook sprake van willekeur. Het moeten ondergaan van dit onderzoek en de monitoring op zich is echter onvoldoende om een reëel risico op ernstige schade aannemelijk te achten.
Uit het AAB blijkt dat het risico bestaat dat eiseres specifiek over haar geloofsovertuiging wordt bevraagd op het vliegveld. Ook zal ze misschien een verklaring moet ondertekenen dat zij de islam aanhangt. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is echter niet ten onrechte geloofwaardig geacht dat eiseres hierover zal liegen. Dit liegen op zich houdt, zoals ook overwogen is, niet in dat eiseres ernstige schade oploopt.
Uit het AAB volgt ook de reële kans dat eiseres zal worden bevraagd over de reden van haar afwezigheid. Als iemand asiel heeft aangevraagd en de autoriteiten zijn daarvan op de hoogte, kan het risico op problemen worden vergroot. Hierbij kan een rol spelen of degene Iran legaal of illegaal heeft verlaten en hoe lang iemand is weggeweest. Niet duidelijk is echter welke waarde Iraanse autoriteiten hechten aan het hebben gevraagd van internationale bescherming in een ander land. Verder kan ervan worden uitgegaan dat eiseres, gezien het hiervoor overwogene, op dit moment niet in de negatieve aandacht staat van de Iraanse autoriteiten. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is dat eiseres door de bevraging op dit punt een reëel risico op ernstige schade zal lopen.
7. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
Had verweerder de zoon van eiseres moeten horen?
8. Eiseres beroept zich op het belangen van haar kinderen. Zij voert aan dat verweerder haar minderjarige kinderen had moeten horen en dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat met de belangen van de kinderen rekening is gehouden. Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, waar wordt uitgelegd dat minderjarige kinderen gevraagd moeten worden of zij willen worden gehoord.
De rechtbank stelt vast dat bij deze zaak twee minderjarige kinderen zijn betrokken. De rechtbank brengt in herinnering dat op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK bij alle maatregelen die kinderen betreffen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend hoeven zijn, dient dus aanzienlijk gewicht toe te komen. Dit betekent dat het van groot belang is om de belangen van [naam 1] en [naam 2] volledig en gedegen te betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dat in het bestreden besluit niet kenbaar gedaan.
De rechtbank constateert verder dat eiseres in het aanmeldgehoor in april 2023 is gevraagd of haar kinderen ook gehoord moesten worden en dat eiseres daar met ‘nee’ op heeft geantwoord. Uit het dossier blijkt echter dat de zoon van eiseres niet-islamitisch wordt opgevoed, inmiddels 15 jaar oud is en dat hij politiek betrokken is geworden. Verweerder had daarin aanleiding moeten zien om de zoon opnieuw gelegenheid te geven te worden gehoord om zijn risico op ernstige schade bij of na terugkeer in kaart te brengen. Dat de procedure ruim 2,5 jaar duurt, komt voor rekening van verweerder. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiseres ook eerder dan in beroep had kunnen aangeven dat één of beide van haar kinderen alsnog gehoord diende te worden. Omdat de belangen van het kind echter zwaar wegen en de rechtbank deze weging niet terug leest in de motivering van het bestreden besluit terwijl dat wel had gemoeten, slaagt de beroepsgrond toch.
Verweerder moet de zoon van eiseres alsnog horen om zijn individuele asielrelaas in kaart te brengen. Ook moet verweerder de dochter van eiseres vragen of zij alsnog wil worden gehoord. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Verweerder is namelijk onvoldoende ingegaan op de belangen van de kinderen van eiseres en heeft onvoldoende gelegenheid geboden om hen te horen. Dit kan van invloed zijn op het recht op internationale bescherming van eiseres, gezien de afhankelijkheid van de kinderen van eiseres.
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dit staat in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor twaalf weken omdat de zoon van eiseres moet worden gehoord.
11. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.
12. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroep- en verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.