ECLI:NL:RBDHA:2025:24338

ECLI:NL:RBDHA:2025:24338, Rechtbank Den Haag, 18-12-2025, NL25.36523

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-12-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer NL25.36523
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

beroep, verzoek om bestuurlijke heroverweging asiel, intrekken TKB ivm arrest T.Q. had verweerder ook direct de afwijzende asielbeschikking moeten intrekken?, buiten schuldvergunning is verleend, had verweerder de resultaten afkomstig uit het onderzoek naar adequate opvang moeten beoordelen in het kader van de bestuurlijke heroverweging of alleen in kader van opvolgende asielaanvraag, beroep gegrond

Uitspraak

[naam]

V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),

en

de minister van Asiel en Migratie ,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. Eiser heeft op 15 september 2015 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 december 2016 afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep tegen voornoemd besluit is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 24 januari 2017 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het besluit van 21 december 2016 staat dan ook in rechte vast.

Bij brief van 25 februari 2021 heeft de minister het besluit van 21 december 2016 ingetrokken voor zover dat besluit een terugkeerbesluit en een vertrektermijn van vier weken betreft.

Eiser heeft vervolgens op 29 november 2021 een verzoek om bestuurlijke heroverweging en op 7 september 2022 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

De minister heeft met het besluit van 29 januari 2024 de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 1 juli 2025 is het beroep gegrond verklaard en het besluit van 29 januari 2024 vernietigd. De minister is opgedragen om binnen 4 weken een nieuw besluit te nemen op eisers verzoek om bestuurlijke heroverweging en zijn opvolgende aanvraag.

De minister heeft met het bestreden besluit van 31 juli 2025 het verzoek om heroverweging afgewezen voor zover het de aanspraken van eiser op een verblijfsvergunning asiel betreft. Het verzoek om heroverweging is toegewezen voor zover het de aanspraken van eiser betreft op een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Eisers opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw is afgewezen als kennelijk ongegrond. Tot slot is het bij besluit van 29 januari 2024 opgelegde inreisverbod vernietigd met het gegronde beroep van 1 juli 2025. Het inreisverbod is als gevolg hiervan en het verlenen van voornoemde verblijfsvergunning opgeheven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorgeschiedenis

4. Eiser heeft op 15 september 2015 een asielaanvraag ingediend. Hij heeft aan deze asielaanvraag -kort samengevat- het volgende ten grondslag gelegd. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] en afkomstig te zijn uit [land 1] . Daarnaast stelt eiser dat hij de Eritrese nationaliteit bezit, omdat zijn vader deze nationaliteit heeft. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser een geboorteakte overgelegd. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Eritrea in militaire dienst moet.

De minister heeft met het besluit van 21 december 2016 eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De minister heeft, voor zover relevant, overwogen dat de verklaringen van eiser over zijn gestelde identiteit, Eritrese nationaliteit, herkomst uit Soedan en de Eritrese nationaliteit van zijn vader niet geloofwaardig zijn. De geboorteakte die eiser bij zijn asielaanvraag heeft overgelegd, is vals bevonden. Aangezien eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn, heeft de minister de gestelde vrees van eiser dat hij in Eritrea in militaire dienst moet ook niet geloofwaardig bevonden. De minister heeft verder overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Gezien de gerezen twijfel over de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst, is onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst niet mogelijk. Dit moet volgens de minister voor rekening en risico van eiser komen. De minister heeft ten slotte aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.

Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 24 januari 2017 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel ingesteld. Daarmee staat het besluit van 21 december 2016 in rechte vast.

De minister heeft op 25 februari 2021 -onder verwijzing naar het arrest T.Q.- het

besluit van 21 december 2016 ingetrokken voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit. De minister heeft in dat verband overwogen dat niet vaststaat dat voor eiser adequate opvang buiten Nederland aanwezig is, zodat een terugkeerbesluit niet uitgevaardigd mocht worden. De minister heeft het besluit voor het overige gehandhaafd.

In een e-mail van 29 november 2021 heeft eiser de minister gemotiveerd verzocht om naar aanleiding van het arrest T.Q. het volledige besluit van 21 december 2016 te heroverwegen.

In reactie op deze e-mail heeft de minister bij brief van 24 maart 2022 aangegeven dat een verzoek om heroverweging enkel wordt beoordeeld in het kader van een opvolgende asielaanvraag. Op 7 september 2022 heeft eiser daarom zekerheidshalve -door middel van een formulier M35-O- ook een opvolgende asielaanvraag ingediend.

Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij uitspraak van 2 november 2022 geoordeeld dat de minister ten onrechte de voorwaarde heeft gesteld dat eiser een M35-O formulier moet invullen om zijn verzoek om bestuurlijke heroverweging beoordeeld te krijgen. De minister kan en behoort een besluit te nemen op het verzoek dat op 29 november 2021 is ingediend, aldus de rechtbank.

Eiser heeft bij brief van 28 november 2022 zijn verzoek om bestuurlijke heroverweging nader toegelicht.

De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft in haar uitspraak van 1 juli 2025 -voor zover hier van belang- geoordeeld dat het besluit van 29 januari 2024 onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet kenbaar op zowel eisers opvolgende asielaanvraag als op zijn verzoek om heroverweging van het besluit van 21 december 2016 is beslist. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de termijn voor nader onderzoek naar adequate opvang telkens kon worden verlengd tot aan de meerderjarigheid van eiser op 15 april 2021 vanwege onvoldoende medewerking door eiser aan dat onderzoek. De minister heeft verder onvoldoende voortvarend gehandeld en hij heeft eiser onnodig lang in onzekerheid laten verkeren over zijn verblijfsstatus.

Verder heeft de rechtbank in voornoemde uitspraak overwogen dat uit het dossier niet is gebleken dat eiser niet actief en volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. In dit verband is overwogen dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich (al dan niet via zijn moeder) meerdere malen tot de Eritrese ambassade heeft gewend om zijn identiteit en nationaliteit te laten vaststellen. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een verklaring van 28 april 2021, waarin de Eritrese autoriteiten verklaren dat eiser de Eritrese nationaliteit heeft. Verder heeft de rechtbank gewezen op onderzoek verricht door het Rode Kruis en UNHCR in zowel Soedan als Ethiopië en op een tweedelijnsonderzoek door AVIM waarin is geconcludeerd dat het heel aannemelijk is dat eiser de Eritrese nationaliteit heeft. De rechtbank heeft in dit verband geoordeeld dat de minister niet voor altijd kan blijven tegenwerpen dat eiser op twaalfjarige leeftijd een valse geboorteakte heeft overgelegd.

Het bestreden besluit

5. Met het bestreden besluit van 31 juli 2025 heeft de minister het verzoek van eiser om heroverweging van het besluit van 21 december 2016 afgewezen voor zover dat zijn aanspraken op een verblijfsvergunning asiel betreft. Het verzoek om heroverweging van het besluit van 21 december 2016 is toegewezen voor zover het de aanspraken van eiser op een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen betreft. Om die reden is aan eiser is een verblijfsvergunning regulier verleend op grond van het buitenschuld beleid voor AMV (artikel 3.48, tweede lid, onder a Vb juncto B8/6 Vc) van 15 september 2015 tot 15 september 2020. Daarnaast is aan eiser ambtshalve een verblijfsvergunning verleend voor een periode van vijf jaar onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden (artikel 3.51, lid 1, onder a sub 3, Vb juncto B9/3 Vc) van 15 september 2020 tot 15 september 2025. De arbeidsaantekening luidt: "Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Tot slot heeft de minister eisers opvolgende asielaanvraag voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw, die op 7 september 2022 is ingediend, afgewezen als kennelijk ongegrond en is het inreisverbod opgeheven.

Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het verzoek om een bestuurlijke heroverweging moet worden afgewezen?

6. Eiser stelt zich, onder verwijzing naar het arrest T.Q. en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, primair op het standpunt dat de minister in beginsel gehouden is om het terugkeerbesluit gelijktijdig te nemen met het besluit op de asielaanvraag. Uitzondering hierop is slechts de situatie dat het onderzoek naar adequate opvang langer gaat duren. In dat geval moet de minister bij de afwijzing van de asielaanvraag aangeven hoe lang het onderzoek nog gaat duren. Nu de minister dat nooit heeft gedaan, had hij niet alleen het terugkeerbesluit, maar ook het asielbesluit moeten intrekken. Dat geldt te meer nu het onderzoek naar adequate opvang ook belangrijke resultaten heeft opgeleverd die van belang zijn bij de beoordeling van de asielaanvraag.

7. De rechtbank overweegt met betrekking tot het primaire standpunt als volgt. Het uitgangspunt is dat een beschikking waarin de asielaanvraag wordt afgewezen, in beginsel geldt als terugkeerbesluit. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022 volgt dat als een vreemdeling niet in aanmerking komt voor een asielstatus, maar de minister in de eerste fase nog niet heeft kunnen vaststellen of er adequate opvang voor de vreemdeling aanwezig is door het tijdrovende karakter van dat onderzoek of omdat hij daarvoor onderzoeksmethoden moet hanteren die ertoe kunnen leiden dat de identiteit of andere gegevens van de vreemdeling of zijn familieleden bekend worden in het land van terugkeer, de minister eerst alleen een negatieve beschikking uitvaardigt over de materiële asielaanspraken. In deze situatie kan de minister artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 buiten toepassing laten, voor zover daarin impliciet is bepaald dat de afwijzing van de asielaanvraag en het nemen van het terugkeerbesluit gelijktijdig moeten plaatsvinden. Het afzonderlijk nemen van het asielbesluit en het terugkeerbesluit is in dergelijke situaties de enige mogelijkheid om te voldoen aan het vereiste in het arrest T.Q. dat het onderzoek naar adequate opvang moet zijn verricht voordat een terugkeerbesluit wordt genomen. Om te waarborgen dat de minister voortvarend blijft handelen, moet hij in het asielbesluit toelichten waarom hij gebruikmaakt van de mogelijkheid om het asielbesluit los van het terugkeerbesluit te nemen. Hierbij zal een beoordeling moeten worden gemaakt van de stand van het onderzoek naar adequate opvang op dat moment en moet een inschatting worden gegeven hoe lang dat onderzoek nog zal duren.

8. De minister heeft op 25 februari 2021 het terugkeerbesluit ingetrokken onder verwijzing naar het arrest T.Q. Voor eiser stond ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit namelijk niet vast dat adequate opvang buiten Nederland aanwezig was, zodat het terugkeerbesluit niet uitgevaardigd mocht worden. Zoals reeds overwogen onder ro. 4.8. heeft de meervoudige kamer geoordeeld dat de minister niet tijdig heeft gemotiveerd waarom verlenging van het onderzoek naar adequate opvang nodig was. Uit de uitspraak van de meervoudige kamer volgt immers dat de minister vanaf 21 december 2017 diende te motiveren waarom verlenging van het onderzoek nodig was. Dit heeft de minister niet gedaan en levert een gebrek op. De rechtbank stelt echter vast dat dit gebrek als gevolg van tijdsverloop niet meer kan worden hersteld. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat, vanwege voornoemd gebrek, het asielbesluit daarom alsnog moet worden ingetrokken. In het asielbesluit is immers een besluit genomen over de materiele asielaanspraken, waartegen rechtsmiddelen openstonden en die ook zijn benut. Op 25 februari 2021 is daarnaast de afwijzing van het asielbesluit gehandhaafd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022 volgt verder dat de motivering waarom verlenging van het onderzoek naar adequate opvang nodig is, bedoeld is om te waarborgen dat de minister voortvarend blijft handelen in het kader van het onderzoek naar adequate opvang. Het onderzoek naar adequate opvang zal verder moeten resulteren in ofwel het nemen van een terugkeerbesluit ofwel het verlenen van een vergunning volgens het buitenschuldbeleid. De minister heeft naar aanleiding van de uitspraak van de meervoudige kamer aanleiding gezien om eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid met als ingangsdatum de datum van de asielaanvraag, zodat eiser met terugwerkende kracht alsnog in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

9. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat de minister de resultaten uit het onderzoek naar adequate opvang ten onrechte enkel heeft betrokken bij de beoordeling van de opvolgende asielaanvraag, terwijl eiser primair heeft verzocht om een bestuurlijke heroverweging. Dit is van belang nu er een strengere bewijsmaatstaf geldt dan in het kader van een eerste asielaanvraag het geval zou zijn geweest. Eiser stelt verder dat de minister onvoldoende oog heeft gehad voor de bijzondere biografie in deze zaak. De moeder van eiser is Ethiopisch, de vader van eiser is Eritrees en is gevangen genomen tijdens het Ethiopisch-Eritrees grensconflict en de ouders van eiser hebben hun land moeten verlaten. Dat is de reden dat eiser in [stad 1] is geboren. Het gezin heeft in Soedan dan ook geen solide juridische basis. Tegen die achtergrond is het ontbreken van documenten niet vreemd. Eiser stelt verder dat de minister de verschillende verklaringen, documenten en bewijsstukken ten onrechte niet in hun onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Eiser heeft in dit verband gewezen op de volgende stukken:

a. Verklaring Eritrese ambassade van 28 april 2021;

b. Het bericht Nationality Verification Result van de ambassade, alleen de regel

met de naam van cliënt is zichtbaar;

c. Twee brieven in een bestand van [naam2] ;

d. Kopie ID [naam2] ;

e. Brief van moeder van 27 juli 2020, met vertaling;

f. Brief van moeder in het Engels;

g. De bevindingen van AVIM in het tweedelijnsonderzoek;

h. Een kopie van 3 e-mailwisselingen tussen Nidos en DT&V, respectievelijk IOM;

i. Een kopie van het nieuwe document van oma;

j. Een beschrijving van de bezoeken aan de ambassade;

k. Nationality Verification Results Soedan;

l. Kopie vreemdelingenpas moeder, met vertaling;

m. Kopie Identiteitsdocument oom, met vertaling.

Met betrekking tot het subsidiaire standpunt overweegt de rechtbank als volgt. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat de stukken waarnaar eiser verwijst van na het besluit van 21 december 2016 dateren en dat deze stukken niet eerder zijn overgelegd ten tijde van de eerste asielprocedure. Deze stukken leiden daarom niet tot een geslaagd beroep op heroverweging. Ook anderszins leiden de ingediende stukken volgens de minister niet tot een geslaagd beroep op heroverweging. De minister heeft hierbij overwogen dat eiser tot op heden geen geldig document voor grensoverschrijding of een ander officieel en door de autoriteiten afgegeven document heeft overgelegd die zijn

identiteit en nationaliteit aantoont. Met betrekking tot de door eiser overgelegde verklaring van de Eritrese ambassade in Den Haag van 28 april 2021, waarin staat vermeld dat eiser Eritrees van geboorte is, heeft de minister allereerst overwogen dat uit deze verklaring niet blijkt op basis van welke informatie en documenten tot dit oordeel is gekomen. Volgens de minister blijkt uit de nadere reactie van eiser nog steeds niet concreet van welke stukken van familieleden de ambassade kennisgenomen heeft, welke familieleden het betreft en aan wie, wanneer en waarover vragen zijn gesteld. Verder staat in de verklaring vermeld dat de informatie is verstrekt door [naam] geboren op [datum3] in [stad 2] , [land 2] . De door eiser overgelegde geboorteakte is echter vals bevonden, zodat de identiteit van eiser niet vast staat en gelet hierop niet duidelijk is op wie de verklaring van de Eritrese ambassade betrekking heeft. Met betrekking tot het proces-verbaal van AVIM van 21 oktober 2019, waaruit blijkt dat er telefonisch onderzoek is gedaan in Eritrea en Soedan, heeft de minister overwogen dat de opgenomen verklaringen niet zijn voorzien van ondersteunend bewijs op basis waarvan eisers identiteit, nationaliteit, herkomst en de familierechtelijke relatie met degenen die zijn bevraagd, kan worden vastgesteld. Met betrekking tot de brieven/verklaringen genoemd in ro. 9 onder c. en e. heeft de minister overwogen dat deze verklaringen niet afkomstig zijn uit objectief verifieerbare bron en dat deze brieven niet worden ondersteund met objectief verifieerbare documenten waaruit de gestelde familierechtelijke relatie met eiser blijkt. Dit geldt volgens de minister ook voor de kopie van een Eritrees paspoort van eisers gestelde oma. Eiser heeft immers geen documenten overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat zij de oma van eiser is.

Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat eiser eigenlijk niet kan worden tegengeworpen dat hij deze stukken niet eerder heeft ingebracht, omdat deze stukken met name in het kader van het onderzoek naar adequate opvang naar boven zijn gekomen. Verder heeft de gemachtigde van de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser evenmin langer kan worden tegengeworpen dat hij als 12-jarige een vals bevonden geboorteakte heeft overgelegd. Desgevraagd is toegelicht dat dit moet worden bezien in het kader van de vraag of eiser oprechte inspanningen heeft verricht en medewerking heeft verleend. Er ligt een geboorteakte die vals is bevonden en deze wordt meegewogen in het geheel, echter kan eiser hiervan geen verwijt worden gemaakt nu hij destijds 12 jaar oud was en wel oprechte inspanningen heeft verricht. De gemachtigde van de minister heeft ten aanzien van de voornoemde standpunten ook aangegeven de overwegingen in het bestreden besluit niet in te trekken.

De rechtbank kan niet anders dan hetgeen de gemachtigde van de minister ter zitting heeft aangevoerd aanmerken als een aanvullende motivering die afwijkt van de eerder ingenomen standpunten in het bestreden besluit. Ondanks dat ter zitting is aangegeven dat de overwegingen in het bestreden besluit worden gehandhaafd, wijkt hetgeen ter zitting is aangevoerd dusdanig af van de overwegingen in het bestreden besluit dat naar het oordeel van de rechtbank niet langer kan worden volgehouden dat de overwegingen in het bestreden besluit blijven staan. De rechtbank is, in het licht van het voorgaande, van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het verzoek om een bestuurlijke heroverweging dient te worden afgewezen. Allereerst heeft de gemachtigde van de minister aangevoerd dat van eiser niet kon worden verwacht dat hij de stukken eerder zou overleggen, nu dit in grote mate het resultaat is van het onderzoek naar adequate opvang. Nu deze tegenwerping feitelijk is komen te vervallen ter zitting, dient de minister nader te motiveren waarom de overgelegde stukken niet leiden tot een geslaagde heroverweging. Daarbij acht de rechtbank van belang dat ter zitting is aangegeven dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij op 12-jarige leeftijd een vals bevonden geboorteakte heeft overgelegd en dat niet kan worden gesteld dat eiser geen oprechte inspanningen heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat dit standpunt moet doorwerken in de vraag welk gewicht er dan nog toekomt aan de vals bevonden geboorteakte in de algehele beoordeling. De rechtbank acht dit te meer van belang nu eiser in het bestreden besluit wordt tegengeworpen dat de overgelegde stukken niet opwegen tegen de vals bevonden geboorteakte. Daarnaast is ter zitting door de gemachtigde van de minister aangegeven dat de afwijzing van de asielaanvraag met name leunt op de vals bevonden geboorteakte die eiser op 12-jarige leeftijd heeft overgelegd.

De rechtbank acht verder van belang dat het onderzoek naar de adequate opvang verschillende resultaten heeft opgeleverd. De rechtbank wijst in dit verband onder meer op de verklaring van de Eritrese ambassade van 28 april 2021 waarin staat dat eiser Eritrees van geboorte is. Verder blijkt dat AVIM op grond van het door hen uitgevoerde onderzoek concludeert dat het heel aannemelijk is dat eiser de Eritrese nationaliteit bezit. De rechtbank wijst er verder op dat zowel de Soedanese als de Ethiopische autoriteiten de nationaliteit van eiser niet hebben kunnen bevestigen. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit op de afzonderlijke stukken is ingegaan en heeft overwogen waarom de afzonderlijke stukken niet leiden tot een andere uitkomst. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit echter niet dat de minister deze stukken in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. De gemachtigde van de minister heeft dit ter zitting ook erkend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de overgelegde stukken, in onderlinge samenhang bezien, niet leiden tot een geslaagd beroep op bestuurlijke heroverweging. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de gemachtigde van de minister heeft aangegeven dat weliswaar niet zonder meer kan worden uitgegaan van verklaringen van familieleden, maar dat er veel stukken zijn die erop wijzen dat het zo zou kunnen zijn dat eiser is wie hij zegt te zijn.

10. Nu het beroep reeds gegrond is vanwege de in ro. 9.2 en 9.3 geconstateerde motiveringsgebreken, laat de rechtbank de overige beroepsgronden van eiser onbesproken.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen op het verzoek om bestuurlijke heroverweging en de opvolgende aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekengemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?