ECLI:NL:RBDHA:2025:24352

ECLI:NL:RBDHA:2025:24352, Rechtbank Den Haag, 16-07-2025, 676860

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-07-2025
Datum publicatie 24-12-2025
Zaaknummer 676860
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voorwaardelijke geldlening. Door gedaagde is onvoldoende betwist dat de voorwaarde is vervuld en onvoldoende onderbouwd dat er een nadere afspraak is overeengekomen. Daarom moet hij op grond van artikel 7:129e BW het bedrag binnen zes weken na mededeling tot opeising terugbetalen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/676860 / HA ZA 24-1042

Vonnis van 16 juli 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. J.E. Braak,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. E.R. Butin Bik.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 29 november 2024, met producties 1 t/m 4;- de conclusie van antwoord van 11 maart 2025, met productie 1;

- het tussenvonnis van 2 april 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald;

- de mondelinge behandeling van 6 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In periode van 28 april 2022 tot en met 13 december 2022 heeft [eiser] door middel van verschillende overboekingen in totaal € 59.834,00 aan [gedaagde] overgemaakt. [gedaagde] heeft dat geld gebruikt om verwarmingsketels te ontwikkelen die werken op waterstof.

[eiser] en [gedaagde] hebben op 13 juli 2023 een verklaring ondertekend. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

Dat de 5 reeds geproduceerde en betaalde waterstof machines zullen worden ingebracht in de, nog op te richten BV, waarvan beide partijen eigenaar zullen zijn. (…)

[eiser] [[eiser], toevoeging rechtbank] heeft de betaling destijds aan [gedaagde] in privé gedaan, in afwachting op de op te richten BV.

(…)

Mocht, om welke reden ook, worden besloten de BV uiteindelijk niet op te richten, dan blijven de ketels eigendom van [gedaagde], en krijgt [eiser] dit bedrag, tegen finale kwijting teruggestort en worden de eventueel gemaakt kosten voor de oprichting gelijk verdeeld.

[eiser] heeft op 4 december 2023 een brief aan [gedaagde] gestuurd, die door hen allebei is ondertekend. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

Er is helaas nog steeds geen opzetje voor de samen op te richten BV en die lijkt er op korte termijn ook niet te komen. (…) Helaas moet ik nu echt door, en kan niet blijven wachten op de dingen die er moeten zijn, voor je de markt op kunt. (…) In april van 2024, maar waarschijnlijk veel eerder, zal er een definitief certificaat komen en kun jij de markt op met je uitvinding. April is ook de maand waarin ik definitief een keuze maak of ik op de [straatnaam] ga wonen of dat er een andere woning is gevonden, of zelfs de woning in [plaats] toch weer aangekocht kan worden.

Optie A. Ik heb een geschikt, vrijstaand huis, gevonden waar we een waterstofketel kunnen plaatsen. (…) Met de andere ketels beslissen we dan, wat we ermee gaan doen. Of je geeft me mijn geld of naar rato mijn geld terug, of we gaan ze alsnog gebruiken voor andere panden of testlocaties;

Optie B. Ik ga op de [straatnaam] wonen, er is dan nog geen certificering. Ik krijg, in dat geval, al het geld dat ik aan je betaald heb, terug. (…) Uiterlijk 15 april staat het geld dan op mijn rekening. Jij staat zowel privé als zakelijk garant voor de bedragen die ik per bank aan je heb over gemaakt.

Zodra de certificering er is, hebben we weer even contact en kijken dan of we nog iets van een samenwerking samen aan willen gaan. (…)

Op maandag 1 april 2024 hakken we de knoop door.”

[eiser] heeft op 1 juli 2024 per e-mail onder meer het volgende aan [gedaagde] gestuurd:

Na de vele gesprekken over de terugbetaling van de 59.834 euro, (zonder rente) en evenzoveel belofte om dit voor 1 april, 1 mei, en 1 juni terug te betalen, moet ik helaas constateren dat ook de laatste belofte weer een loze belofte was. Daarom nu deze aangetekende brief waarin ik je dringend verzoek en zo nodig sommeer het gehele bedrag, per ommegaande, op mijn rekening terug te storten.

Op 8 juli 2024 heeft [gedaagde] per e-mail onder meer het volgende aan [eiser] gestuurd:

Wij hoeven dit niet uit handen te geven. Wij kunnen dit onderling regelen. Het is begrijpelijk dat je rente over het bedrag wil ontvangen. Zelf denk ik dat 0,5% op maand basis redelijk is. Er is al een deel van de investering bij mij binnen gekomen, Maar dit is nu een Te kleine bedrag om direct jou te kunnen betalen. Daarom wil ik voorstellen om 30 augustus aan te houden als de terug betaal datum. En u ontvangt 0,5% over het gedane stortingen op mijn rekening.

Op 2 september 2024 heeft [gedaagde] per e-mail onder meer het volgende aan [eiser] gestuurd:

Helaas is het nog niet gelukt om een betaling aan jou te doen. Het is geen onwil maar onmacht. Ik stel voor een betalingsregeling. Eerst betaling € 1000,= te voldoen 30 okt 2024. Vervolgens ieder maand € 1000,= aflossen. Het streven is het openstaande bedrag in zijn geheel zo snel mogelijk in te lossen Zodra de financies dit toelaat. uiteraard met jou eerder voorgestelde rente vanaf 1 september 2024.

3. Het geschil

[eiser] vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 59.834,00, vermeerderd met rente en kosten.

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen zal nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

Partijen zijn een voorwaardelijke geldlening overeengekomen

Partijen zijn het erover eens dat [eiser] in meerdere overboekingen een totaalbedrag van € 59.834,00 aan [gedaagde] heeft overgemaakt. Het standpunt van [eiser] dat het verstrekte bedrag aan hem moet worden terugbetaald wordt door [gedaagde] betwist. Volgens [gedaagde] gaat het om durfkapitaal. Het bedrag is volgens hem nog niet opeisbaar, omdat [eiser] in gebreke is gebleven om medewerking te verlenen aan het oprichten van een gezamenlijke besloten vennootschap om verdere activiteiten te ontplooien.

De rechtbank overweegt dat uit de door beide partijen ondertekende verklaring van 13 juli 2023 de afspraak over de overboekingen blijkt. Die afspraak tussen partijen houdt in dat [gedaagde] met het ontvangen geld vijf waterstofketels heeft ontwikkeld. Die ketels zouden partijen inbrengen in een besloten vennootschap waar zij beiden eigenaar van zouden zijn. Als er om welke reden dan ook zou worden besloten dat zij samen geen besloten vennootschap oprichten, dan zouden de waterstofketels eigendom van [gedaagde] blijven en zou hij het totaal ontvangen bedrag aan [eiser] terugbetalen. Dat partijen iets anders zijn overeengekomen is door [gedaagde] niet gesteld. De rechtbank kwalificeert de afspraak tussen partijen als een voorwaardelijke geldlening, waarbij de terugbetalingsverplichting van [gedaagde] pas ontstaat als wordt besloten dat zij samen geen besloten vennootschap zullen oprichten.

[gedaagde] heeft onvoldoende weersproken dat die voorwaarde is vervuld. Tussen partijen is immers niet in geschil dat partijen geen besloten vennootschap hebben opgericht. [gedaagde] heeft zijn stelling dat [eiser] in gebreke is gebleven om aan die oprichting zijn medewerking te verlenen, onvoldoende toegelicht. Daarbij overweegt de rechtbank dat [eiser] die stelling gemotiveerd heeft weersproken. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat hij voor de oprichting van een besloten vennootschap naar de notaris wilde, maar dat ondanks zijn verzoeken daartoe, [gedaagde] hem niet in contact met de notaris heeft gebracht. Verder blijkt uit de brief van 4 december 2023 dat de certificering van de waterstofketels lang duurde en dat als die in april 2024 er niet zou zijn, [gedaagde] het ontvangen bedrag aan [eiser] moet overmaken. [gedaagde] heeft die brief ondertekend en niet weersproken dat partijen dat zijn overeengekomen. [gedaagde] heeft evenmin weersproken dat er in april 2024 geen certificering was en dat [eiser] aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling. Dit blijkt ook uit de correspondentie tussen partijen nadien. Daarin weerspreekt [gedaagde] niet dat [eiser] recht heeft op terugbetaling, maar vraagt hij slechts om een betalingsregeling.

Het voorgaande betekent dat aan de voorwaarde is voldaan en [eiser] de terugbetaling van het geleende bedrag kan eisen. Op grond van artikel 7:129e BW is [gedaagde] verplicht om het geleende bedrag in ieder geval terug te betalen binnen zes weken nadat [eiser] heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Die mededeling heeft [eiser] op 1 juli 2024 gedaan. Dat betekent dat het door [eiser] aan [gedaagde] geleende geldbedrag in deze procedure opeisbaar is.

Voor een nadere afspraak is onvoldoende gesteld

Ter zitting heeft [gedaagde] gesteld dat hij met [eiser] op een later moment – de rechtbank begrijpt nadat [eiser] om terugbetaling had verzocht en [gedaagde] een betalingsregeling had voorgesteld – een nadere afspraak heeft gemaakt. Die afspraak zou inhouden dat partijen vanwege een positieve test van de waterstofketels alsnog met elkaar door zouden gaan en samen een besloten vennootschap voor de verdere ontwikkeling en uitbating van de ketels zouden oprichten. [eiser] heeft die afspraak gemotiveerd weersproken. Volgens hem zijn partijen nog in gesprek gegaan over een verlenging van de betalingstermijn, maar hij heeft weersproken dat [gedaagde] het bedrag niet hoefde terug te betalen. Bovendien is het volgens [eiser] niet tot een nadere afspraak gekomen, omdat [gedaagde] twee uur te laat bij het gesprek daarover kwam opdagen.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde], in het licht van de betwisting van [eiser] bezien, onvoldoende concreet heeft gesteld wat de nadere afspraak zou inhouden en hoe die tot stand is gekomen. Een concrete stelling van [gedaagde] over hoe de afspraak tot stand is gekomen is des te meer van belang, omdat [gedaagde] ter zitting heeft erkend dat hij te laat was voor de afspraak met [eiser] en [eiser] toen boos is vertrokken. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat [gedaagde] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat partijen een nadere afspraak hebben gemaakt. De rechtbank komt om die reden niet aan bewijslevering door [gedaagde] toe en zal de vordering van [eiser] tot betaling van € 59.834,00 toewijzen.

Wettelijke (handels)rente

[eiser] vordert dat betaling van die € 59.834,00 wordt vermeerderd met wettelijke handelsrente. Echter is niet gesteld of gebleken dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen, conform de door [eiser] gevorderde datum van 1 september 2024.

Buitengerechtelijke incassokosten

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het geld aan [gedaagde] in privé is overgemaakt en hij dus een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft op 1 juli 2024 aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarin is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag ná ontvangst van de aanmaning door [gedaagde]. Datzelfde geldt voor de aanmaning die zijn gemachtigde op 28 augustus 2024 aan [gedaagde] heeft verzonden. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

136,72

- griffierecht

1.325,00

- salaris advocaat

2.428,00

(2 punten × € 1.214,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.067,72

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 59.834,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 september 2024, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.067,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.J. Doornink en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?