RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28641
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. G.W. Mettendaf),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
1. Deze zaak gaat over een man uit Ethiopië. Eiser is etnisch Tigreër, moslim, en afkomstig uit de stad [plaatsnaam] , gelegen in West Tigray. Hij heeft asiel aangevraagd in Nederland. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2020 bij grootschalige arrestaties van jonge Tigrese mannen negen maanden is vastgehouden en daarna is ontsnapt en gevlucht. Hij voert aan dat ondanks het staakt-het-vuren van 2 november 2022 in West-Tigray sprake is van Amhaarse (para)militaire controle, belemmerde terugkeer van Tigrese ontheemden, willekeurige en etnisch geprofileerde arrestaties, onderrapportage en discriminatoire bejegening. Hij vreest bij terugkeer naar [plaatsnaam] vervolging dan wel ernstige schade.
Verweerder gelooft het verhaal van eiser, maar stelt dat de algemene veiligheidssituatie voor Tigreërs na het staakt-het-vuren is verbeterd en dat eiser geen individueel risico meer loopt. Evenmin is in (West-)Tigray sprake van een (intern) gewapend conflict waarin het geweld zo wijdverspreid en willekeurig is dat elke burger, enkel door aanwezig te zijn, een reëel risico loopt op ernstige schade (een zogenaamde 15(c)- situatie). Verweerder heeft de aanvraag daarom afgewezen als ongegrond en een terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep van eiser richt zich tegen deze beslissing.
De rechtbank oordeelt dat de motivering van de afwijzing van de asielaanvraag van eiser tekortschiet omdat geen gebiedsspecifieke analyse voor West-Tigray ( [plaatsnaam] ) is gegeven. Daardoor is niet inzichtelijk waarom eiser -gelet op zijn Tigrese etniciteit, herkomst uit een betwist gebied en voorgeschiedenis- geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. De afwijzing wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen. Hieronder licht de rechtbank dit oordeel toe.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 28 juni 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond en een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser, een Tigrese moslimman afkomstig uit [plaatsnaam] in West-Tigray (Ethiopië), voert aan dat hij in 2020 door federale militairen is aangehouden en circa negen maanden is vastgehouden, omdat jonge Tigrese mannen -waaronder hij- werden verdacht van (steun aan) de Tigray Defense Forces (TDF) en de Hiwaht. Hij is ontsnapt uit detentie en vervolgens via Soedan en Libië naar Europa gevlucht. Ondanks het staakt-het-vuren van november 2022 is de situatie in West Tigray niet verbeterd. [plaatsnaam] is onder (para)militaire Amhaarse invloed. Terugkeer van Tigrese ontheemden wordt belemmerd en etnische profilering en willekeurige detentie houden aan. Gezien zijn eerdere detentie en de aan hem toegedichte (TDF en Hiwaht) politieke steun, zijn etniciteit, herkomst uit betwist gebied, de controle van Amhaarse milities en zijn moslimgeloof stelt eiser dat hij bij terugkeer risico loopt op hernieuwde arrestatie, mishandeling, verdrijving of ander geweld.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. zijn detentie als gevolg van het conflict in Tigray.
Verweerder heeft beide elementen geloofwaardig geacht. Verweerder stelt echter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van artikel 1(A) Vluchtelingenverdrag. Onder verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht van Ethiopië van januari 2024 (AAB Ethiopië 2024) concludeert verweerder dat de humanitaire en veiligheidssituatie in Tigray sinds het staakt-het-vuren van 2 november 2022 is verbeterd. Tigreërs worden volgens verweerder niet (meer) als risicogroep aangemerkt. Daarom moet eiser op basis van zijn persoonlijke feiten en omstandigheden aannemelijk maken dat hij wegens zijn etniciteit of op andere gronden gevaar loopt. Daarin is hij volgens verweerder niet geslaagd. Niet valt in te zien dat eiser bij terugkeer tegen dezelfde problemen zou aanlopen als vóór het staakt-het-vuren. Evenmin acht verweerder aannemelijk dat sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM of van een situatie als bedoeld in artikel 15(c) Kwalificatierichtlijn (15(c)-situatie), omdat geen sprake is van dermate grootschalig, willekeurig en wijdverspreid geweld dat iedere burger enkel door zijn of haar aanwezigheid risico loopt op ernstige schade. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is ongegrond. Daarbij heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd, inhoudende dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten.
Wat voert eiser aan?
5. Eiser stelt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van artikel 1(a) Vluchtelingenverdrag, en dat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming op grond van artikel 15(c) Kwalificatierichtlijn. Verweerder heeft nagelaten een specifieke beoordeling te maken toegespitst op West-Tigray (met name [plaatsnaam] ). Verweerder baseert zich ten onrechte op algemene verbeteringssignalen elders in Tigray die niet representatief zijn voor de nog gespannen en betwiste situatie in West-Tigray. Volgens eiser blijven Tigreërs daar blootstaan aan etnische profilering, belemmering van terugkeer, willekeurige (etnisch geprofileerde) arrestaties, verdrijving en onteigening, terwijl effectieve staatsbescherming en structurele monitoring ontbreken. Ook stelt hij dat lage incidentcijfers mede het gevolg zijn van beperkte toegang voor journalisten en waarnemers, niet van daadwerkelijke veiligheid. Hij benadrukt zijn eerdere detentie wegens de aan hem toegedichte steun aan TDF en Hiwaht. Die eerdere detentie is een concrete indicatie voor een verhoogd individueel risico op herhaling. De feitelijke controle door Amhaarse actoren en de aanhoudende uitsluiting en intimidatie van Tigreërs leiden tot gericht etnisch optreden en willekeurige detentie. Gezien zijn profiel (Tigrese afkomst, herkomst uit betwist gebied, eerdere vrijheidsbeneming, toegeschreven politieke overtuiging, moslimgeloof ) wordt de drempel van vervolging overschreden. De combinatie van structurele onveiligheid, etnisch gemotiveerde maatregelen en het ontbreken van effectieve bescherming maakt dat sprake is van een 15(c)-situatie, in ieder geval wanneer zijn individuele profiel wordt meegewogen. Verweerder heeft deze elementen niet kenbaar en voldoende gemotiveerd weerlegd; het bestreden besluit lijdt aan motiverings-en zorgvuldigheidsgebreken en moet worden vernietigd.
Heeft eiser te vrezen voor vervolging, dan wel loopt hij een reëel risico op ernstige schade?
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder, gelet op eisers etnische achtergrond en herkomst uit West-Tigray, toereikend en deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag meer heeft, en evenmin dat hij geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, in het bijzonder onderdeel 15(c), van de Kwalificatierichtlijn.
Vrees voor vervolging
7. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser in 2020 negen maanden is vastgehouden tijdens grootschalige detenties van jonge Tigrese mannen. Dit is een risicofactor die gewicht heeft bij de beoordeling van een gegronde vrees voor vervolging. Indien verweerder stelt dat dit risico door gewijzigde omstandigheden is weggevallen, moet dat actueel, kenbaar en gebiedsspecifiek worden onderbouwd. Een generieke verwijzing naar een “algemene verbetering in Tigray” is onvoldoende omdat eiser uit een door het AAB Ethiopië 2024 gekwalificeerd betwist subgebied (West-Tigray) komt. De rechtbank ligt dit als volt toe.
8. Verweerder verwijst naar algemene ontwikkelingen: het staakt-het-vuren van november 2022 tussen troepen die destijds verantwoordelijk waren voor de arrestatie van eiser, de overdracht van de controle aan een regionale interim-regering genaamd Tigray Interim Regional Administration (TIRA) in maart 2023, passages uit het AAB Ethiopië 2024 en een Kamerbrief van 29 mei 2024 over een verbetering van de situatie voor Tigreërs in Tigray. Wat naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt is een concrete, actuele duiding van de feitelijke machtsverhoudingen en veiligheidsdynamiek in West-Tigray, en specifiek in en rond [plaatsnaam] . Het AAB Ethiopië 2024 vermeldt dat West-Tigray betwist gebied is en na het staakt-het-vuren onrustig bleef en onder controle bleef van Amhaarse milities en speciale eenheden. Uit de stukken (waaronder de kaart op p. 9 van het verweerschrift) volgt dat dit gebied niet onder effectieve TIRA-controle valt. De motivering in het besluit en verweerschrift adresseert daarentegen voornamelijk een situatie in centraal Tigray (zoals in de stad Ankum), die niet representatief is voor West-Tigray.
9. Volgens eiser tonen bronnen aan dat West-Tigray, anders dan andere delen van Tigray, na het staakt-het-vuren onder Amhaarse controle kwam, dat willekeurige of etnisch gerichte arrestaties van terugkerende Tigreërs zijn gemeld, dat terugkeer van ontheemden wordt belemmerd en dat onzekerheid bestaat over eigendomsontneming. Daarnaast signaleren die bronnen in 2025 nieuwe verplaatsingen, belemmeringen bij terugkeer van ontheemden, willekeurige detentie van terugkerende Tigreërs en etnisch gemotiveerde mishandelingen. Eiser verwijst daartoe onder meer naar het AAB Ethiopië 2024, een artikel van The New Humanitarian van 4 maart 2025, recente VNrapportages, updates van de Global Protection Cluster uit 2025 en het USDOSjaarrapport 2025. Verweerder heeft deze verwijzingen niet weerlegd en niet inzichtelijk gemaakt waarom of in hoeverre deze informatie voor West-Tigray buiten beschouwing kan blijven.
10. Verweerder redeneert dat eiser destijds als onderdeel van massale arrestaties van jonge mannen is vastgezet en dat eiser daarom bij terugkeer niet persoonlijk heeft te vrezen dat hij thans wordt verdacht van steun aan TDF of Hiwath. Hoewel verweerder niet ten onrechte stelt dat eiser destijds niet om persoonlijke redenen is gedetineerd, dat de troepen die hem toen detineerden inmiddels geen controle meer uitoefenen en sinds het staakt-het-vuren de veiligheid voor Tigreërs aanzienlijk is verbeterd, motiveert verweerder niet waarom eiser thans - gegeven de actuele machts- en veiligheidssituatie in West Tigray ( [plaatsnaam] ) - niet langer een gegronde vrees of reëel risico oplevert. Eiser zou terugkeren naar hetzelfde, betwiste en niet genormaliseerde subgebied waar volgens ingebrachte bronnen Amhaarse milities de controle hebben en belemmeringen voor Tigrese terugkeerders zijn gedocumenteerd. Verweerder had daarom moeten toelichten waarom eisers etniciteit nu geen reëel risico op herhaling oplevert. Die verduidelijking ontbreekt.
11. Verweerder verwijst ook naar lage incidentcijfers (ACLED). Niet wordt echter kenbaar ingegaan op de vraag of deze cijfers representatief zijn voor West-Tigray, waar – volgens het AAB Ethiopië 2024 - toegang voor onafhankelijke journalisten, onderzoekers en waarnemers beperkt bleef. Daarmee is er reden om te twijfelen of ACLED een goed beeld geeft van de situatie in West Tigray en rijst de mogelijkheid van onderrapportage. Verweerder lijkt zich hiervan geen dan wel onvoldoende rekenschap te hebben gegeven. Verweerder gaat niet kenbaar in op de vraag in hoeverre onderrapportage het beeld kan vertekenen. In zulke gevallen vergt de motiveringsplicht dat verweerder uitlegt welke bronnen specifiek zijn geraadpleegd voor het subgebied, waarom deze representatief zijn ondanks toegangsproblemen en hoe de door eiser overgelegde informatie is gewogen. Die uitleg ontbreekt.
12. Uit het verweerschrift volgt dat buitenlands beleid nog verhoogde alertheid kent voor Tigreërs uit West-Tigray. Dit is niet zichtbaar meegewogen. Hoewel een afwijkende buitenlandse beleidslijn niet beslissend is, kan het een aanwijzing zijn dat een nadere analyse nodig is. Verweerder motiveert niet waarom dit signaal geen aanleiding geeft tot een individuele beoordeling in onderhavige zaak.
13. De enkele verwijzing naar algemene verbetering in Tigray is onvoldoende voor de specifieke veiligheidssituatie in West-Tigray. Verweerder heeft nagelaten inzichtelijk te maken waarom eiser geen gegronde vrees voor vervolging meer heeft. Daarmee is de motivering in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Is sprake van een 15(c)-situatie in West Tigray?
14. Artikel 15(c) Kwalificatierichtlijn beschermt de burger tegen ernstige en individuele bedreiging van leven of persoon door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Uit de arresten Diakité, X en Y en Elgafaji van het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsmede de nadere duiding door de Afdeling volgt in samenhang dat de beoordeling twee routes kent: (i) een uitzonderlijke situatie waarin het algemene geweldsniveau zó hoog is dat louter aanwezigheid een reëel risico oplevert; en (ii) situaties waarin, bij bestaan van een gewapend conflict met enig willekeurig geweld, individualiserende factoren de doorslag geven.
15. Verweerder stelt dat in (West-)Tigray geen artikel 15(c)-situatie meer bestaat omdat algemene bronnen (AAB Ethiopië 2024, ACLED) wijzen op verbetering en een laag geweldsniveau. Hij acht het geweld niet dermate grootschalig en willekeurig dat iedere burger risico loopt.
16. Deze motivering schiet tekort omdat een gebiedsspecifieke, methodologisch onderbouwde analyse voor West-Tigray ontbreekt. Eiser heeft aangevoerd dat West-Tigray, waaronder zijn herkomstplaats [plaatsnaam] , een bewist gebied blijft met (para)militaire en Amhaarse actoren en mogelijk Eritrese elementen, belemmerde terugkeer, verdrijvingen, confiscatie van eigendommen en willekeurige aanhoudingen. Verweerder maakt niet inzichtelijk of er in West-Tigray geen binnenlands gewapend conflict in de zin van Diakité meer is, noch hoe representatief de gebruikte data (ACLED) zijn gezien mogelijke onderrapportage en beperkte toegang. De verwijzing naar “lage incidentcijfers in Tigray” volstaat niet zonder subregionale afbakening.
17. Verder is de tweede Elgafaji-route niet doorlopen. Uit het arrest X en Y en het arrest van de Afdeling van 17 juli 2024 volgt dat, wanneer een gewapend conflict met enig willekeurig geweld bestaat, individualiserende factoren (zoals eerder mogelijk etnisch geprofileerde detentie, etniciteit en herkomst uit betwist gebied) kunnen maken dat de betrokkene een reëel risico loopt ook als het algemeen geweldsniveau lager is. Verweerder heeft deze factoren niet zichtbaar bij de 15(c)- beoordeling betrokken; het besluit blijft bij een generieke verbeteringsconstatering.
18. De rechtbank concludeert dat de motivering dat artikel 15(c) Kwalificatierichtlijn niet (meer) van toepassing is, niet berust op een deugdelijke, gebiedsspecifieke en actuele analyse, en dat verweerder ten onrechte de individualiserende route onbenut heeft gelaten. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek (artikel 3:46 van de Awb) en wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Gelet op de aard van de gebreken ziet de rechtbank geen reden om verweerder op te dragen het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenaamde bestuurlijke lus).
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 juni 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.