ECLI:NL:RBDHA:2025:24369

ECLI:NL:RBDHA:2025:24369, Rechtbank Den Haag, 18-12-2025, NL25.39549 en NL25.39550

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-12-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer NL25.39549 en NL25.39550
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

asiel, Irak, jezidi, oud of nieuw beleid toepassen, tentenkamp KAR als woonplaats aannemen?, TKB bij Griekse statushouder, gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1] , geboren op [datum 1] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.39549 en NL25.39550

[naam 2] , geboren op [datum 2] , eiser

van Iraakse nationaliteit,

V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),

en

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij hebben de Iraakse nationaliteit en behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep. De minister heeft met de bestreden besluiten van 7 augustus 2025 deze aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas van eiseres

3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft de Iraakse nationaliteit en behoort tot de jezidi’s bevolkingsgroep. Zij heeft samen met haar gezin naar een vluchtelingenkamp in Berseve (KAR) moeten vluchten, omdat IS op 3 augustus 2014 Sinjar is binnengevallen. Eiseres heeft hier verbleven in een tentenkamp. Volgens eiseres worden jezidi’s in Irak bedreigd door moslims. Eiseres stelt te zijn gevlucht uit Irak vanwege de slechte omstandigheden in het kamp en geeft aan niet terug te kunnen, omdat het niet veilig is.

Het asielrelaas van eiser

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij de Iraakse nationaliteit bezit en behoort tot de jezidi bevolkingsgroep. Eiser vreest bij terugkeer naar Irak te worden gedood omdat hij tot de jezidi’s behoort. Eiser vreest voor moslims, IS en de PKK. Verder stelt eiser dat het tentenkamp Berseve waar hij en zijn zusje verbleven niet veilig is.

Het bestreden besluit van eiseres

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister het volgende asielmotief;

1. De identiteit, nationaliteit en herkomst.

De minister gelooft het asielmotief van eiseres, maar hij acht de vrees van eiseres dat zij in Irak niet veilig zal zijn niet aannemelijk. De minister heeft - onder verwijzing naar het AAB Irak van 2023 - overwogen dat daaruit niet meer blijkt dat jezidi’s omwille van hun geloof, het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade. Evenmin is volgens de minister sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag ten aanzien van Jezidi’s in Irak. De vrees van eiseres dat zij bij een terugkeer naar Irak aan discriminatie zal worden blootgesteld, is onvoldoende zwaarwegend. Volgens de minister heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij specifiek bij terugkeer dusdanig gediscrimineerd wordt dat het voor haar onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Het feit dat eiseres in Griekenland een vluchtelingenstatus heeft gekregen, betekent niet dat de aanvraag van eisers in Nederland ook moet worden ingewilligd. Nederland kan en mag een eigen beoordeling verrichten. De minister concludeert daarom dat hij de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond.

Het bestreden besluit van eiser

Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister het volgende asielmotief;

1. De identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. De door eiser ervaren problemen vanwege zijn jezidi afkomst;

3. De benadering door de PKK.

De minister gelooft de eerste twee asielmotieven en laat de geloofwaardigheid van het derde asielmotief in het midden, omdat op voorhand duidelijk is dat deze verklaringen nooit zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. De minister heeft overwogen dat het feit dat eiser afkomstig is uit Irak op zich niet genoeg is om vluchteling te zijn dan wel om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De vrees die eiser stelt te hebben om bij terugkeer te worden gedood, omdat hij jezidi is, vindt de minister niet aannemelijk. In dit verband heef de minister verwezen naar het AAB Irak van 2023 waaruit volgens de minister volgt dat niet meer blijkt dat Jezidi’s omwille van hun geloof, het risico lopen om in algemene zin slachtoffer te worden van geweld of ernstige schade en dat evenmin sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag ten aanzien van Jezidi’s. Verder heeft de minister gewezen op de nota Landenbeleid Irak van 27 mei 2024. Uit die nota blijkt onder meer dat IS grotendeels verslagen is in Irak en dat de dreiging voor Jezidi’s om gericht slachtoffer te worden van geweld sterk is afgenomen. Eiser is er niet in geslaagd zijn vrees voor IS aannemelijk te maken. Verder stelt de minister dat de vrees van eiser dat hij bij een terugkeer naar Irak aan discriminatie zal worden blootgesteld, onvoldoende zwaarwegend is. Omdat eiser voorafgaand aan zijn vertrek gedurende acht jaren in het vluchtelingenkamp Berseve verbleven, ziet de minister dit kamp in de KAR als normale woon- en verblijfplaats. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer dusdanig gediscrimineerd wordt dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. In dit verband heeft de minister erop gewezen dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij zich staande heeft kunnen houden in Irak, dat hij naar school is gegaan tot aan de twaalfde klas en dat zijn vader een eigen winkel had. Het feit dat eiser in Griekenland een vluchtelingenstatus gekregen, betekent niet dat de aanvraag van eiser in Nederland ook moet worden ingewilligd. Nederland kan en mag een eigen beoordeling verrichten. In dit verband heeft de minister erop gewezen dat de door Griekenland verleende bescherming aan eiser is toegekend op grond van een prima facie vluchtelingschap omdat hij Jezidi is. Niet vanwege persoonlijke problemen die eiser in Irak heeft ondervonden. Nederland hanteert geen prima facie vluchtelingschap voor Jezidi’s. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag terecht is afgewezen als ongegrond.

Zienswijze ingelast en herhaald

5. De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling van eisers in beroep dat de zienswijzen als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in elk bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eisers om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hen niet juist of toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eisers in beroep hebben aangevoerd.

Heef de minister ten onrechte het nieuw beleid toepast?

Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte het nieuwe beleid voor jezidi’s uit Irak heeft toegepast. In dit nieuwe beleid heeft de minister het beleid met betrekking tot kwetsbare minderheden en/of het beleid waarin tentenkampen niet als woonplaats werden aangemerkt, afgeschaft. De minister heeft de beslistermijn overschreden en daardoor zijn eisers in een nadeligere positie gekomen. Als de minister tijdig had beslist waren eisers in aanmerking gekomen voor een verblijfsvergunning asiel. Dat de minister niet tijdig op hun aanvragen heef beslist, dient voor zijn rekening en risico te komen in die zin dat de minister het oude beleid dient toe te passen. Eisers verwijzen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 24 oktober 2024.

De minister stelt zich op het standpunt dat als uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Dit is dan ook terecht benoemd in de besluitvorming van eisers.

De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Van willekeur is geen sprake. De minister heeft in dit verband verwezen naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 4 februari 2025 en 24 november 2025. De uitspraak van deze rechtbank zittingsplaats Rotterdam kan eisers niet baten, omdat de minister in hoger beroep is gekomen en de uitspraak dus niet in rechte vast staat.

De rechtbank wijst op de uitspraak van deze zittingsplaats van 24 november 2025. In beginsel moet worden uitgegaan van het op het moment van het nemen van het besluit geldende recht. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank ziet in het tijdsverloop tussen de aanvraag en het bestreden besluit geen bijzondere omstandigheid om van dit uitgangspunt af te wijken. Niet gebleken is dat de beslissing is uitgesteld vanwege het voornemen om de rechten van eisers te frustreren. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om op basis van algemene beginselen van behoorlijk bestuur de minister op te dragen oud beleid toe te passen. Het ten tijde van de aanvraag geldende beleid betekende ook niet per definitie dat een vergunning zou worden verleend.

Heeft de minister het tentenkamp in Berseve als woonplaats kunnen aanmerken?

7. Eisers voeren aan dat het tentenkamp (in de KAR) ten onrechte is aangemerkt als hun woonplaats. In dit verband hebben eisers gewezen op verschillende uitspraken van deze rechtbank, onder meer die van de meervoudige kamer van 4 februari 2025. Eisers stellen dat zij bij terugkeer naar de tentenkampen in een artikel 3 EVRM-situatie zullen geraken gelet op de barslechte situatie in deze kampen en de toenemende bedreigingen en haatprediking. Eisers verwijzen naar de in deze procedure overgelegde informatie van Vluchtelingenwerk Nederland. Gelet hierop menen eisers dat de minister niet goed motiveert dat de situatie in de tentenkampen zodanig zou zijn verbeterd dat thans de tentenkampen – anders dan eerst – wél als vaste woonplaats kunnen worden aangemerkt.

In de hiervoor onder 7. genoemde uitspraak heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat door de minister niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van de ontheemdenkampen in de KAR, waartoe ook Berseve behoort, als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio. In het in 2019 geldende beleid is vastgesteld dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hadden in de KAR en daar, naar lokale maatstaven gemeten, niet op een normaal niveau konden functioneren. Medio 2024 is besloten dat deze ontheemdenkampen in de KAR wel kunnen worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio. Deze beleidswijziging heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 4 februari 2025 onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd geacht. Dit standpunt heeft deze rechtbank en zittingsplaats in verschillende uitspraken herhaald. In haar uitspraak van 24 november 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat dit ook heeft te gelden voor de situatie van jezidi’s die buiten de ontheemdenkampen in de KAR wonen. Ook in die gevallen dient de minister uiteen te zetten wat maakt dat voor de jezidi’s de situatie medio mei 2024 in de KAR verbeterd is.

De rechtbank constateert dat uit de bestreden besluiten niet blijkt dat de minister de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in zijn algemeenheid in de KAR voor jezidi’s heeft onderzocht. Evenmin is aangegeven waarom de situatie in de kampen verbeterd is sinds 2019. Daar komt bij dat er op 7 november 2025 een Thematisch ambtsbericht is verschenen waarin uitgebreid de huidige situatie in de kampen in de KAR wordt beschreven. Blijkens het thematisch ambtsbericht heeft het federale ministerie van Migratie en Ontheemding in januari 2024 besloten om de 23 vluchtelingenkampen onder het gezag van de Koerdische regionale regering in Erbil, waaronder ook Berseve, te sluiten. Dit besluit is uitgesteld maar leidde volgens het thematisch ambtsbericht desondanks tot terugtrekking van hulp en het vertrek van verschillende (internationale) organisaties. Daarbij hebben de kortingen van de regering van president Trump ten aanzien van de USAID gemaakt dat veel (lokale) hulporganisaties hun activiteiten hebben moeten staken. Dit resulteerde volgens het thematisch ambtsbericht in een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. In het licht van deze informatie is de rechtbank van oordeel dat de minister niet alleen heeft nagelaten te motiveren waarom de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt maar bovendien onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huidige situatie in de ontheemdenkampen niet maakt dat eisers bij terugkeer een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM zoals volgt uit het arrest Sufi en Elmi. Dat de humanitaire omstandigheden geen enkele rol spelen bij de toets of sprake is van een normale woon- of verblijfplaats, zoals in het verweerschrift van 5 december 2025 is betoogd, volgt de rechtbank niet. Dit geldt ook voor de aanvulling ter zitting dat geen sprake is van grootschalige mensenrechtenschendingen in de kampen, sprake is van enige bewegingsvrijheid en dat basisvoorzieningen aanwezig zijn. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. De bestreden besluiten komen reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking.

Mocht verweerder een terugkeerbesluit opleggen?

8. Eisers stellen dat de minister ten onrechte in het terugkeerbesluit heeft opgenomen dat eisers dienen terug te keren naar Irak aangezien eisers over een verblijfsvergunning in Griekeland beschikken. Onder verwijzing naar artikel 6, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn hadden eisers - alvorens de minister rechtsgeldig een terugkeerbesluit kan opleggen - eerst een aanzegging dienen te krijgen terug te keren naar Griekenland.

De minister stelt zich op het standpunt dat aan eisers terecht een terugkeerbesluit is opgelegd waarin is opgenomen dat eisers dienen terug te keren naar Irak. In de regel wordt aan een vreemdeling met asielverblijfsrecht in een andere lidstaat geen terugkeerbesluit opgelegd, maar krijgt hij een aanzegging te vertrekken naar die lidstaat. Dit is het zogeheten 'bevel tot terugkeer'. Echter, het opleggen van een bevel tot terugkeer naar Griekenland is in deze gevallen niet mogelijk, omdat bij de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag is

aangenomen dat terugkeer naar Griekenland niet verlangd kan worden vanwege het risico op verregaande materiële deprivatie. Een bevel tot terugkeer zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn is daarom niet verenigbaar met de situatie in Griekenland. Omdat bij afdoening van de asielaanvraag is vastgesteld dat er geen sprake is

van een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade in het land van herkomst is er daarom een terugkeerbesluit opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat de minister de Griekse autoriteiten niet op de hoogte heeft gesteld van de uitkomst van de in Nederland gevolgde asielprocedure en dat de Griekse autoriteiten de verleende vluchtelingenstatus van eisers niet hebben ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en deze in reactie hierop hebben aangegeven of zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Het terugkeerbesluit is derhalve ten onrechte aan eisers opgelegd. Dit betekent dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. De bestreden besluiten komen ook om die reden voor vernietiging in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op wat hiervoor onder 7.2. en onder 8.2. is overwogen, worden de beroepen gegrond verklaard en vernietigt de rechtbank de bestreden besluiten. Voor het in stand laten van de rechtgevolgen bestaat, gelet op wat onder 8.2. is overwogen, geen aanleiding. Omdat de bestreden besluiten reeds hierom gegrond zijn, laat de rechtbank de overige beroepsgronden, zoals bijvoorbeeld het gebruik van Case Matcher en artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn, onbesproken. De minister zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De rechtbank oordeelt dat sprake is van samenhangende zaken die voor de vergoeding van de proceskosten als één zaak worden beschouwd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 7 augustus 2025;

- draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de gezamenlijke proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?