[naam 1] ,
[naam 2] ,
[naam 3] ,
[naam 4] ,
[naam 5] ,
V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] , eisers
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M. Dalhuizen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een mvv met als doel gezinshereniging met hun vader, tevens referent.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 september 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, een tolk en mr. J.R. Sotthewes-de Jonge als gemachtigde van de minister.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om referent in de gelegenheid te stellen om het origineel van een echtscheidingsakte afkomstig van de Sharia rechtbank te Libanon afgegeven op 16 juni 2020 over te leggen voor onderzoek door Bureau Documenten (BD). Tevens is referent in de gelegenheid gesteld om nader bewijs te leveren om aan te tonen dat hij (nog steeds) is gescheiden van deze vrouw, de moeder van eisers.
Op 16 april 2025 heeft de minister het resultaat van het door BD uitgevoerde onderzoek naar het hiervoor onder 2.1. genoemde document aan het dossier toegevoegd. BD concludeert dat voor wat betreft de echtheid van het document geen uitspraak kan worden gedaan, dat geen uitspraak kan worden gedaan over de opmaak en afgifte van het document en dat niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.
Eisers hebben daar op 21 mei 2025 op gereageerd. Daarbij hebben eisers tevens een document, met vertaling, overgelegd van de Sharia rechtbank van El Miniyeh, te Libanon van 8 en 9 april 2025 waarin is bevestigd dat de echtscheiding tussen referent en de moeder van eisers in 2020 is uitgesproken. Zij hebben daarbij tevens aangegeven een zitting te wensen om nadere uitleg te verschaffen over het verkregen document en de overige relevante punten van het beroep.
Op 24 juni 2025 heeft de minister het resultaat van het door BD uitgevoerde onderzoek naar het hiervoor onder 2.3. genoemde document aan het dossier toegevoegd. BD beoordeelt de echtheid van het document positief, maar stelt tevens dat geen uitspraak kan worden gedaan over de opmaak en afgifte van het document. Evenmin kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.
De minister heeft op verzoek van de rechtbank op 4 juli 2025 uiteengezet wat de uitkomst van het door BD verrichtte onderzoek betekent voor de beoordeling van het beroep van eisers.
Op 17 juli 2025 heeft referent een nieuw document over zijn echtscheiding van de moeder van eisers overgelegd. Hierbij is aangegeven dat het nogmaals dezelfde echtscheidingsakte is als die eerder is overgelegd, ditmaal met een handgeschreven toevoeging van de griffie van de rechtbank met de mededeling dat de echtscheiding nog altijd actueel is.
Op 5 augustus 2025 heeft de minister daarop gereageerd.
3. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 4 november 2025. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Totstandkoming van het besluit
4. Op 18 oktober 2022 heeft VWN namens referent een aanvraag ingediend voor een mvv voor zijn echtgenote, hun 6 gezamenlijke kinderen en eisers. Dit zijn de kinderen die hij met zijn -gestelde ex-echtgenote- heeft.
Bij besluit van 26 september 2023 heeft de minister de aanvraag van de echtgenote van referent en hun gezamenlijke kinderen ingewilligd.
Bij besluit van 13 april 2023 heeft de minister de aanvraag van eisers afgewezen, omdat de behandeling en (eventuele) inwilliging van de mvv-aanvragen zouden leiden tot een polygame situatie op Nederlands grondgebied. Eisers hebben op 11 mei 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de mvv-aanvragen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
6. De rechtbank volgt verweerder. Het besluit van verweerder blijft in stand. Wel moet verweerder de proceskosten van eisers vergoeden omdat zij ten onrechte niet zijn gehoord in de bezwaarfase.
Hebben eisers aangetoond dat referent ten tijde van het bestreden besluit was gescheiden van hun moeder?
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat referent ten tijde van het bestreden besluit gescheiden was van hun moeder. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat referent op dit moment van haar is gescheiden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de eerste plaats terecht gewezen op de door referent in de nareisprocedure overgelegde documenten. De minister stelt terecht dat uit een originele familie-uittreksel dat is afgegeven op 17 januari 2022 in Al Rabiaa blijkt dat referent gehuwd is met beide vrouwen en dat beide vrouwen en alle kinderen op het familie-uittreksel staan vermeld. Het familie-uittreksel is onderzocht door BD en positief bevonden. Verder stelt de minister terecht dat referent bij zijn aanvragen een individueel uittreksel van [naam 6] uit het bevolkingsregister heeft overgelegd met afgiftedatum 17 januari 2022 en dat op het uittreksel staat dat Asma gehuwd is. Ook dit document is na onderzoek door BD positief bevonden. Verder heeft de minister gewezen op een kopie van het huwelijksuittreksel van het huwelijk tussen referent en [naam 6] , met als uitgiftedatum 19 januari 2022. Uit deze informatie kon de minister afleiden dat eiser -ten tijde van belang- met twee vrouwen was gehuwd en dat de mvv-aanvraag om die reden voor afwijzing in aanmerking kwam.
Verder heeft de minister ter onderbouwing van het standpunt dat referent (nog steeds) gehuwd is met zijn twee echtgenotes kunnen wijzen op de door referent afgelegde verklaringen tijdens de asielprocedure. Hierin heeft referent verklaard dat hij gehuwd is met twee vrouwen. Ook heeft de minister gewezen op de verklaringen van referent in de gezinsherenigingsaanvraag van 18 oktober 2022 waarin hij heeft verklaard gehuwd te zijn met twee vrouwen en dat hij -gelet op de wet- en regelgeving in Nederland omtrent polygamie- van plan is te gaan scheiden van [naam 6] , maar dat zij en twee van hun kinderen vermist zijn. Dit is ook verklaard in de vragenlijst huwelijkspartner nareis. Tot slot heeft de minister gewezen op telefonisch contact dat op 7 maart 2023 met referent heeft plaatsgevonden waarin referent heeft verklaard dat hij wil scheiden van zijn tweede echtgenoot, maar dat zij vernist is en dat hij aanvragen voor hun kinderen zal indienen zodra zijn twee echtgenoot daar toestemming voor verleend.
In beroep is de juistheid van de hiervoor genoemde verklaringen van referent over zijn huwelijk met beide echtgenotes niet betwist. Referent heeft erkend dat hij zo heeft verklaard, maar dat sprake zou zijn van een misverstand dan wel dat deze onjuiste informatie zou zijn verstrekt uit angst. De rechtbank is van oordeel dat de minister op grond van de door eisers verstrekte informatie tot de conclusie heeft kunnen komen dat niet aannemelijk is gemaakt dat referent is gescheiden van de moeder van eisers en dat om die reden niet aan de voorwaarden voor vergunningverlening wordt voldaan. De minister heeft in de door eisers overgelegde verklaring van de Sharia-rechtbank van 16 juni 2020, en de later in beroep -onder 2.3. en 2.6 genoemde- documenten geen aanleiding hoeven zien om tot een ander oordeel te komen. In dit verband heeft de minister terecht gewezen op het feit dat BD geen uitspraak kan doen over de opmaak en afgifte van het document en dat evenmin kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Om die reden kan aan dit document niet de waarde worden gehecht die eiser wenst. De rechtbank wijst er verder nog op dat referent desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat hij niet heeft geprobeerd om documenten uit Syrië te krijgen die zijn gestelde echtscheiding kunnen onderbouwen, omdat dit volgens hem onmogelijk is. Waarom dit onmogelijk zou zijn, is door referent niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande heeft de minister het standpunt kunnen innemen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat referent ten tijde van het bestreden besluit was gescheiden van hun moeder. De minister heeft de mvv-aanvraag van eisers dan ook terecht afgewezen.
Had eiser gehoord moeten worden in bezwaar?
8. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De minister heeft ten onrechte aangenomen dat het origineel van de echtscheidingsakte niet beschikbaar was voor onderzoek. Ook is ten onrechte aangenomen dat de sharia-rechtbank (waar de echtscheiding is uitgesproken) in Syrië was, zodat meer waarde wordt gehecht aan de Syrische documenten uit 2022 ten aanzien van het bestaan van het huwelijk. Volgens eisers zijn dit allemaal zaken die in een hoorzitting aan de orde hadden kunnen en moeten worden gesteld. In dit kader hebben eisers gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022.
Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 volgt inderdaad dat uitgangspunt moet zijn dat een vreemdeling wordt gehoord in bezwaar en dat de minister terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op de hoorplicht. Naar het oordeel van de rechtbank stellen eisers terecht dat de minister er niet zondermeer vanuit mocht gaan dat het origineel van de echtscheidingsakte niet beschikbaar was voor onderzoek. Ook bood de inhoud van het bezwaar voldoende aanleiding om eisers en/of referent in bezwaar te horen. Eisers hebben in dit verband terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022. De rechtbank weegt verder ook mee dat eisers in bezwaar uitdrukkelijk hebben verzocht om gehoord te worden.
De rechtbank concludeert dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eisers en/of referent in bezwaar. Er is daarom sprake van een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren omdat aannemelijk is dat eisers door het gebrek niet zijn benadeeld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de documenten en argumenten waarvan eisers stellen dat zij die in een hoorzitting hadden willen toelichten in beroep zijn besproken. Ook heeft de minister de overgelegde echtscheidingsakte van de Sharia-rechtbank in Libanon in beroep door BD laten onderzoeken op echtheid. Hetzelfde geldt voor het nadien in beroep overgelegde document, met vertaling, van de Sharia rechtbank van El Miniyeh, te Libanon van 8 en 9 april 2025. Zoals uit de overwegingen onder 7.2 volgt leiden die documenten niet tot een andere conclusie.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 2.267,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en een halve punt voor een nadere zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- aan hen vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.267,50,-;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.