[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Eiseres heeft, nadat een beslissing op haar asielaanvraag is vernietigd bij uitspraak van 6 september 2023, twee keer eerder rechtsgeldig beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar asielaanvraag. Bij uitspraak van 19 maart 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het voorlaatste beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag onder verbeuring van een dwangsom van € 200,- voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
Eiseres heeft weer beroep ingediend tegen het uitblijven van een besluit op haar asielaanvraag. In deze uitspraak beslist de rechtbank over dit beroep.
Partijen hebben toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), al dan niet impliciet door niet tijdig te reageren op de door de rechtbank gegeven termijn, om een behandeling van het beroep op zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. Op grond van de rechtbankuitspraak van 19 maart 2025 had verweerder uiterlijk op 3 april 2025 een besluit moeten nemen op de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is overschreden. Eiseres heeft na het verstrijken van deze termijn beroep ingediend. Het beroep is daarom gegrond. In deze situatie is het niet vereist dat eiseres verweerder eerst in gebreke stelt alvorens beroep in te kunnen stellen.
4. Verweerder dient gevolg te geven aan de rechtbankuitspraak van 19 maart 2025 en wordt geacht er alles aan te doen om de uitspraak na te leven. In de uitspraak van 8 juli 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat in asielzaken de rechter er rekening mee houdt dat verweerder aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld en dus geen onnodig lange nadere termijn stelt en in ieder geval de bovengrens van 21 maanden in acht neemt. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld dat bij bepaling van de nadere termijn de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. Kortom, de rechter stelt de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is. In lijn met deze rechtspraak en in acht nemend dat de bovengrens van 21 maanden is overschreden, acht de rechtbank een termijn van vier weken niet onredelijk lang of onrealistisch kort.
5. De in 4 genoemde termijn gaat niet eerder lopen dan nadat de termijn van de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom is volgelopen. In deze situatie is de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom al volgelopen.
6. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat de hiervoor genoemde termijn verder wordt overschreden. De rechtbank ziet aanleiding om bij een opvolgend beroep niet tijdig beslissen terug te komen op de vaste gedragslijn dat bij een opvolgend beroep een hogere dwangsom wordt bepaald. Reden hiervoor is dat de Afdeling in haar uitspraak van 21 mei 2025 heeft overwogen dat een veel hogere dwangsom eerder uitzondering dan regel moet zijn. Alleen als een sterke prikkel nodig is vanwege de weigerachtigheid van verweerder of vanwege een bijzonder spoedeisend belang om te beslissen, is er aanleiding om de dwangsom te verhogen. Daarvan is in deze zaak sprake. Verweerder heeft bij rechterlijke uitspraak drie keer een termijn gekregen om te beslissen. Telkens heeft verweerder hieraan niet voldaan. Hoewel de rechtbank zich ervan bewust is dat de sterkte van de prikkel beperkt is gezien de achterstanden bij verweerder, gaat ze hier nu toch toe over, aangezien de belangen van de drie minderjarige kinderen van eiseres ook in het geding zijn.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat verweerder toch een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag dat de hiervoor genoemde termijn verder wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 6.1 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn verder overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van S.A. Bournas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.