Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/1620
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het belastingjaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 januari 2025 de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep in gesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft op 1 maart 2022 voor het belastingjaar 2021 aangifte IB/PVV gedaan. Daarbij heeft eiser € 409 in aanmerking genomen als aftrek voor specifieke zorgkosten en € 1.500 als restant persoonsgebonden aftrek.
2. Met dagtekening 24 januari 2023 heeft verweerder aan eiser de definitieve aanslag IB/PVV 2021 opgelegd. Verweerder is daarbij afgeweken van de door eiser ingediende aangifte en heeft geen rekening gehouden met de door eiser opgegeven specifieke zorgkosten en het restant persoonsgebonden aftrek.
3. Op 21 februari 2023 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag, omdat geen rekening is gehouden met door eiser gemaakte rentekosten. Tijdens het hoorgesprek op 30 augustus 2024 zijn ook de specifieke zorgkosten en het restant persoonsgebonden aftrek ter sprake gekomen.
4. Na het uitblijven van nadere gegevens van eiser heeft verweerder op 28 januari 2025 het bezwaar ongegrond verklaard.
Geschil
5. In geschil is of de aanslag IB/PVV naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is daarbij in geschil of verweerder terecht de specifieke zorgkosten niet in aanmerking heeft genomen. Ter zitting heeft eiser aangegeven, dat de rentekosten en het restant persoonsgebonden aftrek niet langer in geschil zijn.
6. Eiser stelt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de specifieke zorgkosten die eiser heeft gemaakt voor tandheelkundige hulp. Verweerder is van oordeel dat de zorgkosten terecht niet in aanmerking zijn genomen.
Beoordeling van het geschil
7. Op grond van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 2001 in combinatie met artikel 6.17 van de Wet IB 2001 komen – voor zover hier van belang – de uitgaven die zijn gedaan voor tandheelkundige hulp voor aftrek in aanmerking. Deze kosten komen enkel voor aftrek in aanmerking, wanneer ze in het betreffende kalenderjaar, in dit geval 2021, op eiser drukten. De bewijslast om dit aannemelijk te maken rust op eiser.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Tot de stukken van het geding behoren enkel de tandartsrekeningen van eiser van 2017, die optellen tot een bedrag van circa € 760. Met deze stukken heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten in 2021 op hem hebben gedrukt dan wel dat de aftrekbare specifieke zorgkosten € 409 moeten bedragen. Eiser heeft verklaard zijn best te hebben gedaan betalingsbewijzen op te vragen bij zijn bank en facturen bij de tandartspraktijk, maar dat dit niet gelukt is. De rechtbank heeft hier ook begrip voor. Dat het niet gelukt is, dient evenwel voor rekening en risico van eiser te blijven. Verweerder heeft aldus terecht de specifieke zorgkosten niet voor aftrek in aanmerking genomen.
9. Gesteld noch gebleken is dat de in rekening gebrachte belastingrente tot een onjuist bedrag is vastgesteld, aangezien verweerder deze heeft vastgesteld conform de wettelijke bepalingen.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van J.C.W. Wahls, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).