[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. T.J.M. Schilder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Hij heeft op 27 februari 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 maart 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T.J. Hussain als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
Het asielrelaas
Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser woonde en werkte het grootste deel van het jaar in Dubai. In Pakistan wilde hij een kerk laten bouwen. Eiser is christen. Toen eiser tijdens zijn bezoek aan Pakistan in november 2024 – vanwege het overlijden van zijn moeder – de bouwplaats van de kerk bezocht, zaten daar vier mannen. Eiser heeft hen weggestuurd en tegen hen gezegd dat hij daar een kerk ging bouwen. De mannen waren het daar niet mee eens. De volgende dag is er een ruzie ontstaan en is eiser door hen geslagen. Daarna is eiser teruggekeerd naar Dubai en heeft hij de bouw stopgezet. De mannen zijn vervolgens zijn huis ingevallen, hebben spullen kapot gemaakt en ze hebben gedreigd eiser te doden, omdat ze geen kerk in de wijk willen. Eiser vreest bij terugkeer te worden gedood door de vier mannen. Vanwege zijn geloof kan eiser geen bescherming vragen van de (lokale) Pakistaanse autoriteiten.
Het bestreden besluit
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder twee asielmotieven. Het eerste asielmotief ‘identiteit, nationaliteit en herkomst’ acht verweerder geloofwaardig. Het tweede asielmotief ‘problemen met Moslims wegens uw bouwplannen voor de kerk’ wordt ongeloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiser het tweede asielmotief onvoldoende onderbouwd met objectieve documenten en vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo zijn de verklaringen over de incidenten volgens verweerder vaag, summier en algemeen, acht verweerder het ongerijmd dat eiser het risico nam om een kerk te bouwen en waren zijn plannen daartoe weinig concreet en naïef. Eiser heeft volgens verweerder ook weinig concrete informatie gegeven over de inval in zijn huis door de vier mannen. Verweerder acht het asielmotief ook ongeloofwaardig vanwege de wijze waarop hij uit Pakistan is vertrokken en zijn verklaringen aan de Nederlandse grens. Verweerder heeft de aanvraag van eiser daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. Verder heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van 2 jaar uitgevaardigd.
Wat vindt eiser in beroep?
Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en stelt dat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Eiser verwijst naar hetgeen hij eerder in deze procedure heeft aangevoerd. Verweerder werpt hem ten onrechte tegen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd. Uit overmacht is het hem nog niet gelukt om documenten over te leggen, want zijn vrouw ligt in het ziekenhuis en hij heeft weinig contact met zijn familie. Eiser heeft de documenten niet tijdens zijn vlucht meegenomen omdat hij bang was de stukken kwijt te raken. Ook werpt verweerder eiser ten onrechte tegen dat zijn verklaringen vaag, summier en algemeen zijn. Verweerder motiveert niet waarom het ongerijmd is dat hij het risico nam om een kerk te bouwen. Bij het bouwen van de kerk wilde eiser zijn dankbaarheid betuigen. Dat er risico’s aan kleven maakt niet dat het daarom ongerijmd is.
Verder heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser – zijn culturele achtergrond en dat hij analfabeet is – door hem tegen te werpen dat het bouwen van de kerk naïef is en (mede daarom) ongeloofwaardig zou zijn. Eiser handhaaft hetgeen dat hij bij zienswijze al heeft aangegeven, namelijk dat hij het recht heeft om zijn geloof naar alle vrijheid te belijden. Over de beveiliging had eiser nog niet nagedacht. Omdat het een kleine kerk is dacht eiser dat de kerkgangers deze zelf konden beveiligen. Verweerder heeft er ook ten onrechte geen rekening mee gehouden dat hij weinig contact heeft met zijn familie en hij daardoor geen aanvullende informatie heeft over de inval in het familiehuis. Ook werpt verweerder hem ten onrechte de wijze waarop hij uit Pakistan is vertrokken en zijn verklaring bij aankomst in Nederland tegen. Eiser dacht namelijk dat hij pas buiten de luchthaven asiel kon aanvragen, daarom heeft hij niet meteen bij de ondervraging door de Koninklijke Marechaussee aangegeven dat hij asiel wilde aanvragen.
Tot slot voert eiser aan dat hij als christen onder het risicoprofiel valt en dat hij door de bouw van de kerk wel degelijk individuele problemen heeft ervaren. Bij een terugkeer naar Pakistan loopt eiser daarom een reëel risico op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM en/of artikel 4 van het Antifolterverdrag. Er is dus sprake van vluchtelingschap dan wel een situatie waarin bescherming op grond van artikel 3 EVRM aan de orde is. Ten onrechte heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, waardoor verweerder eiser ten onrechte een vertrektermijn heeft onthouden en hem een inreisverbod heeft opgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de asielaanvraag van eiser mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Herhaald en ingelast
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele verwijzing naar hetgeen eerder in de asielprocedure door hem is aangevoerd onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
Onvoldoende documenten
De rechtbank stelt vast dat eiser op 14 april 2025 een stuk heeft overgelegd. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat dit een kopie is van het document van de rechtbank waar eiser tijdens het nader gehoor over heeft verklaard. Volgens eiser heeft hij dit stuk van zijn zwager gekregen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser onvoldoende objectieve documenten heeft overgelegd om het tweede asielmotief te onderbouwen. Verweerder heeft er op mogen wijzen dat eiser heeft verklaard dat er meerdere originele stukken bestaan. Eiser heeft verklaard dat er originele documenten zijn van een document van de kerk, een eigendomsakte en een document van de rechtbank. Eiser heeft deze stukken niet overgelegd. Verweerder heeft mogen vinden dat eisers vrees om de stukken tijdens zijn vlucht kwijt te raken niet weg neemt dat eiser de stukken had kunnen laten opsturen door zijn familie. Uit het stuk van de rechtbank dat eiser (alsnog) heeft overgelegd blijkt immers dat hij via zijn familie stukken kan verkrijgen. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat sprake is van overmacht, omdat zijn echtgenote in het ziekenhuis ligt. Verder mocht verweerder vinden dat het stuk van de rechtbank dat eiser alsnog heeft overgelegd, onvoldoende is om tot een andere conclusie te komen. Het stuk is een kopie, waardoor het niet op echtheid kan worden gecontroleerd. Ook lijkt het document op verzoek te zijn opgemaakt, waardoor de feiten zijn gebaseerd op hetgeen de klagers naar voren hebben gebracht. Verweerder mag daarom vinden dat dit stuk niet objectief is. Daarnaast is het document op meerdere punten tegenstrijdig met de verklaringen van eiser in zijn gehoren. In het document staat dat eiser aanwezig was op het stuk grond met twee andere mannen terwijl eiser heeft verklaard in zijn nader gehoor dat hij aanwezig was met vier andere mannen. Ook komen de namen van de mannen die genoemd worden in het document niet overeen met de genoemde namen van eiser in het nader gehoor. Eiser heeft hier ter zitting desgevraagd geen duidelijkheid over kunnen geven. Eiser erkent één van de tegenstrijdigheden, en heeft ter zitting aangegeven dat hij nog wacht op het gecorrigeerde stuk. Wat daar ook van zij, verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat aan het document van de rechtbank niet de waarde kan worden gehecht die eiser er aan geeft.
Geen samenhangend en aannemelijk geheel
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen vinden dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verweerder heeft eisers verklaringen over de incidenten vaag, summier en te algemeen mogen vinden. Eiser heeft weinig kunnen verklaren over de incidenten op het stuk grond. Eiser heeft verklaard dat er tweemaal sprake was van een woordenwisseling, dat hij tijdens zijn tweede bezoek is geslagen en dat hij daarna snel weg is gegaan. Verweerder mag van eiser verwachten dat hij meer kan verklaren over de incidenten die zijn gestelde problemen hebben veroorzaakt. Dat eiser analfabeet, laag is opgeleid en de grensdetentie erg stressvol is voor eiser, doet hier niet aan af. Verder heeft verweerder ongerijmd mogen vinden dat eiser het risico nam een kerk te bouwen. Uit de verklaringen van eiser heeft verweerder kunnen opmaken dat hij van de risico’s op de hoogte was. Zo heeft eiser verklaart dat moslims niet willen dat eiser en zijn gezin in Pakistan verblijven en hen ‘gevaar [willen] toebrengen’, omdat zij christen zijn. Ook heeft eiser verklaard dat hij heeft meegemaakt en gehoord dat ze – de rechtbank begrijpt dat eiser hiermee moslims bedoelt – christenen doden en dat bij problemen soms hele wijken in brand worden gestoken. En eiser heeft verklaard dat er incidenten zijn geweest tussen moslims en christenen waarbij een kerk in brand is gestoken en kinderen zijn gedood en dat het voor christenen in Pakistan niet zo veilig is. Eiser was ook bekend met het feit dat de wijk waar hij een kerk wilde bouwen inmiddels een islamitische wijk was geworden. Verweerder heeft het daarom ongerijmd mogen vinden dat eiser het risico nam om een kerk te bouwen. Dat eiser ter zitting verwijst naar de verklaring in het nader gehoor waaruit blijkt dat eiser niet op de hoogte was van de risico’s doet niet aan de voorgaande verklaringen af. Verweerder heeft verder mogen vinden dat de plannen van eiser om een kerk te bouwen weinig concreet en bevreemdend zijn. De stelling van eiser dat hij nog niet aan de beveiliging had gedacht omdat het een simpele kerk zou worden, hoeft verweerder niet te volgen aangezien uit de verklaringen van eiser kan worden opgemaakt dat hij van de veiligheidsrisico’s op de hoogte was. Verweerder heeft ook de toelichting van eiser waarom hij de bouw van de kerk in een islamitische wijk doorzette gezien de veiligheidsrisico’s onvoldoende mogen vinden. Verweerder mag vinden dat dit afbreuk doet aan het gestelde asielmotief. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Dat eiser laag opgeleid en analfabeet is betekent niet dat niet van hem mag worden verwacht dat hij over de beveiliging van de kerk en de veiligheidsrisico’s heeft nagedacht. Dat eiser onvoldoende reden heeft gegeven waarom hij de kerk wilde bouwen, volgt de rechtbank overigens niet. Eiser heeft immers verklaard dat hij iets terug wilde doen vanwege zakelijk succes. Dit doet echter niet af aan hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen.
Eiser heeft ter zitting nog gewezen op het algemeen ambtsbericht van juli 2024.Voor zover eiser hiermee heeft willen onderbouwen dat hij niet van plan was om een kerk te bouwen in een islamitische wijk, hoeft verweerder hem hierin niet te volgen. In het algemeen ambtsbericht staat niet zozeer dat kerken alleen in christelijke wijken mogen worden gebouwd, maar dat vergunningen voor evenementen in de kerk meestal worden verleend, op voorwaarde dat de buurt christelijk is. Uit het ambtsbericht blijkt niet dat het bouwen van een (simpele) kerk in een christelijke buurt in beginsel geen veiligheidsrisico’s met zich brengt.
Verder heeft verweerder mogen vinden dat eiser weinig concreet heeft verklaard over de inval in het familiehuis. Eiser heeft hier enkel over verklaard dat de mannen de deur hebben gebroken en naar binnen zijn gegaan, dat ze zijn familie bedreigd hebben en geslagen, spullen kapot hebben gemaakt en hierna zijn vertrokken. Verdere details heeft eiser niet gegeven. Niet is duidelijk wanneer dit incident heeft plaatsgevonden, wie de daders zijn en ook wordt niet duidelijk door eiser verklaard wat zich precies heeft plaatsgevonden. Verweerder mag echter van eiser verwachten dat hij hierover meer kan verklaren, omdat het de kern van zijn asielrelaas raakt, zodat eiser actief navraag had moeten doen over het incident waardoor hij naar Nederland is gevlucht en waardoor zijn gezin heeft moeten onderduiken. Ook blijkt uit de verklaringen en het aangeleverde document op zitting dat eiser contact heeft met zijn familie, waaronder zijn zwager die bij het incident aanwezig was, dus verdere navraag over het incident in huis mogelijk was geweest.
Tot slot heeft verweerder eiser tegengeworpen dat hij legaal en zonder problemen uit Pakistan is vertrokken en dat hij bij aankomst in Nederland heeft verklaard dat hij eerst Amsterdam wilde bezoeken en dat hij daarna bescherming wilde aanvragen. Verweerder heeft mogen vinden dat eisers verklaringen aan de Nederlandse grens afbreuk doen aan zijn gestelde vrees. Dat eiser dacht dat hij pas buiten de luchthaven asiel kon aanvragen, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om zijn verklaringen aan de grens te verklaren.
Vluchtelingschap en artikel 3 EVRM
Of eiser een reëel en voorzienbaar risico loopt bij terugkeer naar Pakistan dat in strijd is met artikel 3 EVRM, dan wel artikel 4 van het Antifolterverdrag wordt beoordeeld aan de hand van wat geloofwaardig is bevonden door verweerder. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen heeft verweerder het asielmotief ‘problemen met moslims wegens bouwplannen voor de kerk’ ongeloofwaardig mogen vinden. Verweerder heeft mogen vinden dat het enkele feit dat eiser behoort tot een risicoprofiel, nu hij behoort tot een christelijke religieuze minderheid, onvoldoende is om tot vluchtelingschap te oordelen. Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan de vrees tot vervolging als gegrond kan worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het risico voor het oplopen van ernstige schade bij terugkeer naar Pakistan.
Vertrektermijn, terugkeerbesluit en inreisverbod
Gelet op het voorgaande kan verweerder worden gevolgd in het opleggen van het terugkeerbesluit, de vertrektermijn en het inreisverbod.
Conclusie en gevolgen
4. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.