[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar opvolgende asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.
Eiseres heeft op 3 april 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen M. Chamel.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiseres heeft de Mauritiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2005. Eiseres legt aan haar opvolgende asielaanvraag dat zij lesbisch is en haar ouders hier achter zijn gekomen. Haar partner is vermoord. Eiseres vreest ook vermoord te worden bij terugkeer. Ten aanzien van hetgeen eiseres in de vorige procedure naar voren heeft gebracht brengt zij nu naar voren dat zij eerder niet de waarheid heeft verklaard en dat het haar ouders zijn die haar wilden uithuwelijken, niet haar tante.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. eiseres’ identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief); en
2. eiseres’ seksuele gerichtheid en de daaraan gerelateerde problemen (ook wel tweede asielmotief).
Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder ongeloofwaardig, nu eiseres’ verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dat eiseres uit Mauritanië komt is onvoldoende om aan te nemen dat zij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat zij bij terugkeer naar Mauritanië een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM. Eiseres komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Verweerder heeft eiseres’ aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar aanvraag een rechtsgrond voor verlening vormt. Eiseres heeft kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen afgelegd door valse verklaringen af te leggen tijdens de vorige asielprocedure. Ook is eiseres haar aanvraag een opvolgende aanvraag, die niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, niet-ontvankelijk is verklaard.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiseres vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar medische problematiek, waardoor verweerder ten onrechte het beleid in de werkinstructies (WI) 2021/12 en 2021/13 niet heeft toegepast. Dit levert schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het motiveringsbeginsel op en hierdoor heeft verweerder ook in strijd gehandeld met het recht op een eerlijk en zorgvuldig proces zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Met betrekking tot WI 2019/17 wijst eiseres erop dat verweerder deze onjuist en onvolledig heeft toegepast. Ook verzoekt eiseres de rechtbank de uitspraak en het (bestreden) besluit aan te houden tot het Hof van Justitie zich heeft uitgesproken over prejudiciële vragen, gesteld door zittingsplaats Roermond, over de uitleg van het beoordelingskader met betrekking tot homoseksuele geaardheid. Subsidiair verzoekt eiseres dat de rechtbank verweerder opdraagt een inhoudelijke overweging te maken over de betekening en de impact van de prejudiciële procedure op het bestreden besluit.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eiseres asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Ter zitting heeft eiseres twee beroepsgronden laten vallen, te weten dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische problematiek van eiseres en dat verweerder WI 2019/17 onjuist en onvolledig heeft toegepast. Gelet daarop ziet het beroep alleen nog op het verzoek, betreffende de door zittingsplaats Roermond gestelde prejudiciële vragen.
Allereerst overweegt de rechtbank dat de door eiseres aangehaalde prejudiciële vragen gaan over de verenigbaarheid van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder – zoals is neergelegd in de WI 2024/6 – met het Unierecht. Anders dan eiseres stelt, zien de prejudiciële vragen niet op de uitleg van het beoordelingskader met betrekking tot homoseksuele geaardheid. In de prejudiciële vragen van 7 januari 2025, en tevens in die van 18 februari 2025, heeft de rechtbank zich onder meer afgevraagd of de nieuwe werkwijze van verweerder met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling van een asielrelaas in het algemeen in strijd is met het Unierecht. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 6 maart 2025 uitspraak gedaan over onder meer deze vraag en deze negatief beantwoord. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om deze uitspraak aan te houden totdat de lopende prejudiciële procedure is afgerond. Voor zover eiseres heeft gesteld dat de nog lopende prejudiciële procedure maakt dat het bestreden besluit moet worden aangehouden, overweegt de rechtbank dat dit besluit al is genomen voor het verweerder opdragen een afweging ten aanzien van de betekening en impact van de prejudiciële procedure op het onderhavige besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
6. Dat beoordeling van de door eiseres afgelegde verklaringen als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig is niet betwist, zodat de rechtbank tot de conclusie komt dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
7. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.