[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Eiser heeft op 15 oktober 2024 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Met het besluit van 9 november 2024 heeft verweerder die aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 15 januari 2025 heeft deze rechtbank het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Verweerder heeft op 17 april 2025 een nieuw besluit genomen en is daarbij bij de afwijzing van eisers asielaanvraag gebleven (het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988.
Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is en dat hij om die reden en vanwege zijn relaties bedreigd wordt.
Eiser heeft bij zijn asielaanvraag geen documenten overgelegd
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief); en
eisers gestelde homoseksuele gerichtheid en de daardoor ontstane problemen (ook wel het tweede asielmotief).
Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd die dit asielmotief onderbouwen. In de geloofwaardigheidsbeoordeling vindt verweerder dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en daarvoor geen goede verklaring heeft en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dat eiser uit Algerije komt is onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, nu eiser zijn aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen en de aanvraag een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser vindt dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de opdracht die de rechtbank bij de uitspraak van 15 januari 2025 aan verweerder gegeven heeft, te weten dat verweerder eiser vanwege de samenwerkingsverplichting moet ondersteunen bij het verkrijgen van documenten. Verweerder heeft eiser – die wederom in detentie is geplaatst – niet in staat gesteld om in zijn mobiele telefoon opgeslagen bewijsmiddelen uit te lezen. Verweerder had hem daarbij moeten faciliteren. Ook stelt eiser dat hij niet op de hoogte heeft kunnen komen van de uitnodigingen van zijn gemachtigde om met zijn mobiele telefoon op kantoor te verschijnen, alsmede niet op hoogte heeft kunnen komen van de inhoud van de gegronde uitspraak in de periode dat eiser – te weten van 15 januari 2025 tot 11 februari 2025 – niet in detentie heeft gezeten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
De kern van dit geschil is dat het asielmotief homoseksuele gerichtheid en de problemen als gevolg daarvan zijn niet geloofwaardig is geacht. Eiser wilde meer gelegenheid om documenten die hij op zijn telefoon heeft over te leggen. De rechtbank is daarin meegegaan bij uitspraak van 15 januari 2025 door te oordelen dat verweerder niet heeft voldaan aan de samenwerkingsverplichting. Eiser had immers tijdens het gehoor opvolgende aanvraag op 28 oktober 2024 gesteld bewijzen aangaande zijn gestelde geaardheid op zijn telefoon te hebben, maar geen toegang tot zijn telefoon te hebben omdat hij gedetineerd was. Verweerder had eiser meer moeten helpen omdat eiser in de macht van verweerder was (namelijk in vreemdelingenbewaring). Verweerder moest eiser helpen bij het uitlezen van zijn telefoon teneinde bewijsstukken bij de onderhavige asielaanvraag te betrekken en de rechtbank heeft hiervoor een termijn van zes weken gesteld. Inmiddels is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank van 15 januari 2025.
Sinds de uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2025 is er op 21 februari 2025 een aanvullend gehoor geweest. Daar is het procedureverloop met eiser besproken. Toen is eiser voorgehouden dat er sinds 28 oktober 2024, het gehoor waarin eiser stelde documenten op zijn telefoon te hebben, vier maanden zijn verstreken en eiser nog steeds geen documenten heeft overgelegd. Eiser heeft desgevraagd bevestigd dat hij op 15 januari 2025 in vrijheid is gesteld en vier weken op vrije voeten is geweest tot hij op 11 februari 2025 weer in – ditmaal strafrechtelijke – detentie is geraakt. Gevraagd waarom eiser in de tussentijd geen documenten heeft overgelegd, heeft eiser gewezen naar zijn advocaat, die het volgens eiser zou oppakken en aan wie eiser alles heeft overgelaten. Aan eiser is uitgelegd dat het aanvullend gehoor ziet op de documenten die hij zegt te hebben maar nog niet heeft overgelegd en dat hij bij de correcties op dit gehoor de stukken alsnog kan overleggen en anders op het asielverzoek zal worden beslist zonder de documenten. Eiser heeft niet alsnog stukken overgelegd.
Centraal in deze zaak is de vraag of verweerder bij het bestreden besluit wel voldaan heeft aan zijn samenwerkingsplicht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in deze procedure niet in strijd heeft gehandeld hiermee.
De rechtbank stelt vast dat de opdracht aan verweerder was gekoppeld aan de vreemdelingendetentie waar eiser ten tijde van zijn gehoor op 28 oktober 2024 tot en met de uitspraak van 15 januari 2025 in zat. Eiser was in die periode in de macht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en volgens de rechtbank had het daarom op de weg van verweerder gelegen om eiser te ondersteunen bij het verkrijgen en inleveren van relevante stukken. Eiser is echter op de dag van de uitspraak van 15 januari 2025 in vrijheid gesteld en had in de tijd dat hij vrij was – te weten tot 11 februari 2025 – de mogelijkheid om zonder ondersteuning van verweerder relevante stukken in te dienen.
Verweerder mocht aan eiser tegenwerpen dat het vanwege de stelplicht primair de verantwoordelijkheid van eiser is om de door hem genoemde relevante stukken in te dienen. Eiser heeft dit niet gedaan. Eisers stelling dat de periode van zijn invrijheidstelling zo kort was dat hij niet op de hoogte heeft kunnen raken van zowel de uitnodiging van zijn advocaat als de uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2025 maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft daarbij terecht gesteld dat eiser – nog vóór zijn invrijheidstelling en ook daarna – meerdere malen is gewezen op het belang van het indienen van documenten. Eisers stelling dat hij later in strafdetentie is geraakt en daarom geen stukken heeft in kunnen dienen volgt de rechtbank evenmin, nu het niet onmogelijk is om met behulp van zijn gemachtigde – die een professioneel rechtsbijstandverlener is – nadere stukken in te dienen. Daar komt bij dat eiser ook tijdens zijn strafdetentie is gewezen op het belang van het indienen van documenten. De stelling namens eiser ter zitting dat hij met de strafdetentie ook in de macht van verweerder was – omdat de Nederlandse staat als een orgaan moet worden gezien – en verweerder hem had moeten ondersteunen vanwege de samenwerkingsplicht, volgt de rechtbank ook niet. Dat eiser in strafdetentie is geplaatst, is het gevolg van eisers eigen gedragingen en hij was in die detentie niet in de macht van verweerder. De samenwerkingsplicht van verweerder strekt zich in dat kader dan ook niet uit. De rechtbank overweegt in dit kader nog dat eiser inmiddels in vrijheid is gesteld en nog steeds de door hem gestelde stukken niet heeft ingediend. Uit het voorgaande blijkt niet dat eiser enige inspanning heeft geleverd voor het verkrijgen en indienen van de gestelde documenten.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot conclusie dat verweerder niet in strijd heeft gehandeld met opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 15 januari 2025 en de aanvraag van eiser daarom terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
7. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. M. A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.