RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
proces-verbaal uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61710
proces verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft op 18 december 2025 gronden ingediend.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 17 december 2025 heeft de minister verzoeker medegedeeld voornemens te zijn hem op 19 december 2025 om 11:00 uur over te dragen aan Duitsland. Verzoeker heeft daarom verzocht op zijn verzoek om voorlopige voorziening te beslissen.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid. Gezien de voorgenomen overdracht van verzoeker aan de Duitse autoriteiten op 19 december 2025, bestaat daarvoor in dit geval aanleiding.
3. Verzoeker vraagt om het verzoek tot voorlopige voorziening toe te wijzen en het bestreden besluit te schorsen, omdat de overdracht naar Duitsland is gepland op 19 december 2025, terwijl de zitting in het beroep nog moet plaatsvinden. Verzoeker stelt dat de overdracht niet plaats kan vinden, omdat hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd niet bij voorbaat kansloos is. Verzoeker voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat hij in Duitsland geen “bed, bad en brood” heeft gekregen. Daarnaast voert verzoeker aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met artikel 8 van het EVRM en dat verzoeker een belang heeft om samen met zijn moeder, zus en minderjarige broer de Dublinprocedure gezamenlijk af te wachten.
4. De minister vraagt om het verzoek af te wijzen, omdat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. De minister voert aan dat uit recente uitspraken volgt dat ten aanzien van Duitsland nog steeds uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast voert de minister aan dat hij verzoeker, vanwege openbare orde aspecten, niet tezamen met zijn familieleden wil overgedragen.
5. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers beroep geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een spoedprocedure zich niet leent voor een uitgebreide motivering van de aangevoerde beroepsgronden. Naar voorlopig oordeel leiden de beroepsgronden niet tot het oordeel dat de minister niet meer uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Het beroep heeft dan ook geen redelijke kans van slagen.
6. Daarnaast oordeelt de voorzieningenrechter dat het belang van de minister om verzoeker spoedig naar Duitsland over te dragen zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om bij zijn familie te blijven en om samen hun beroep tegen het overdrachtsbesluit af te wachten. Van belang is daarbij dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft en dat uit de door de minister overgelegde stukken blijkt dat er ten aanzien van eiser openbare orde aspecten gelden. Verzoeker staat gesignaleerd als een niet tot het Schengengebied toe te laten vreemdeling in verband met terrorisme gerelateerde activiteiten. Hij heeft een gevarenclassificatie gewelddadig en zou vuurwapengevaarlijk zijn. Verzoekers belang weegt verder minder zwaar omdat hij meerderjarig is en zijn moeder, meerderjarige zus en minderjarige broer hun Dublin-procedure gezamenlijk kunnen afwachten. Scheiding van verzoeker en zijn familieleden leidt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet tot een schending van artikel 8 van het EVRM.
7. Het verzoek wordt afgewezen. Dat betekent dat de minister verzoeker op 19 december 2025 aan Duitsland mag overdragen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op 18 december 2025 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
18 december 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.