ECLI:NL:RBDHA:2025:24411

ECLI:NL:RBDHA:2025:24411, Rechtbank Den Haag, 18-12-2025, NL25.59244

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-12-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer NL25.59244
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bewaring eerste beroep, artikel 59-1-a Vw. Geen gebrek in het voortraject, de medewerkers van AVIM mochten bij het binnentreden ervan uitgaan dat de medebewoner die hen toestemming gaf, de bewoner van het verblijf was. Alleen zware grond 3i betwist, de overige gronden kunnen de maatregel dragen. Geen aanleiding voor een lichter middel, zicht op uitzetting is aanwezig en er is voldoende voortvarend gehandeld. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],

van Nigeriaanse nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Inleiding

1. De minister heeft op 19 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep 12 december 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Op de rechtbank in Groningen is zijn gemachtigde en een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

(zware gronden)

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en

nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.

4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.

Voortraject

5. Op 18 november 2025 is door de Hulpofficier van Justitie aan de AVIM een machtiging tot binnentreden verstrekt, waarmee zonder toestemming de kamer van eiser in het AZC Almere kon worden betreden. Uit het proces-verbaal van staande houden van 19 november 2025 blijkt dat eiser niet in zijn kamer werd aangetroffen. Een zich in de gezamenlijke ruimte begevende andere bewoner wees AVIM erop dat eiser zich in de kamer van die medebewoner bevond. Eiser werd in die kamer aangetroffen en staande gehouden.

Eiser voert aan dat niet duidelijk is of de bewoner door wie toestemming werd gegeven het verblijf te betreden waar eiser zich bevond, ook daadwerkelijk de bewoner van dit betreffende verblijf is. Dit blijkt niet uit de stukken in het dossier en is kennelijk aangenomen door AVIM. Volgens eiser had dit bij het COa gecontroleerd moeten worden voordat AVIM het verblijf betrad. Dit is niet gebeurd en daarmee is sprake van een gebrek in het voortraject. De daaropvolgende belangenafweging dient in het voordeel van eiser uit te vallen.

De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van staande houden valt te lezen dat aan de betreffende medebewoner is gevraagd of het zijn kamer was waar eiser zich zou ophouden en of deze medebewoner toestemming gaf aan AVIM om dit verblijf te betreden. De medebewoner heeft daarop zonder twijfelen twee keer bevestigd geantwoord. De rechtbank overweegt dat binnentredende ambtenaren er in algemeen vanuit mogen gaan dat degene die hen toestemming tot binnentreden geeft, daartoe bevoegd is. Alleen bij gegronde twijfel daarover dient er aan de betrokkene gevraagd te worden of hij de bewoner is. De rechtbank is van oordeel dat AVIM er in de hiervoor geschetste omstandigheden vanuit mocht gaan dat de medebewoner de bewoner was van het betreffende verblijf en zij in die situatie niet gehouden waren dit te controleren. Van een gebrek in het voortraject is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake.

Grondslag

6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Aan eiser is op 9 juni 2025 een terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep hiertegen is op 6 november 2025 ongegrond verklaard. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

7. De rechtbank stelt vast dat zware grond 3d en lichte grond 4d in de maatregel niet zijn aangekruist. Omdat deze gronden in de maatregel wel zijn gemotiveerd, dienen zij bij de beoordeling van de maatregel te worden betrokken.

Eiser stelt dat er geen risico op onttrekking bestaat. Hij is namelijk nooit met onbekende bestemming vertrokken en verbleef tot de uitspraak van de rechtbank op

6 november 2025 rechtmatig in de opvang. Eiser heeft daarnaast aangegeven wat tijd en geld nodig te hebben om Nederland te verlaten. Maar die gelegenheid heeft hij niet gekregen doordat hij op 19 november 2025 in bewaring is gesteld.

De beroepsgrond slaagt niet. Er bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat. De rechtbank stelt namelijk vast dat eiser alleen zware grond 3i heeft betwist. Voor de overige zware en lichte gronden ziet de rechtbank ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.

Lichter middel

8. Eiser stelt dat een lichter middel is aangewezen. In de motivatie waarom daar niet voor is gekozen wordt verwezen naar een aantal vertrekgesprekken waar uit zou blijken dat eiser niet mee wil werken aan zijn terugkeer. Twee van deze gesprekken, van 20 november 2025 en 6 december 2025, zijn gevoerd nadat eiser in bewaring is gesteld en kunnen daarom niet dienen als onderbouwing van het lichter middel. Eiser voert daarnaast aan dat hij maar kort de tijd heeft gehad om Nederland uit eigen beweging te verlaten en hij nooit met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser wijst er verder op dat hij alleen heeft verklaard niet terug te kunnen naar Nigeria, niet dat hij weigert mee te werken aan vertrek uit Nederland. Tot slot is er door de eerdere Dublinoverdracht van eiser maar één asielaanvraag van hem inhoudelijk behandeld. Het voorgaande maakt dat te snel is besloten geen lichter middel op te leggen, aldus eiser.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De minister is er gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de verklaringen van eiser, terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De minister heeft er op de zitting terecht op gewezen dat het in de maatregel gaat om het vertrekgesprek van 6 november 2025. Dit gesprek heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het opleggen van de maatregel. In dit gesprek geeft eiser aan niet terug te kunnen keren naar Nigeria. Dat hij niet heeft verklaard Nederland niet te willen verlaten, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser is namelijk ongedocumenteerd en zijn terugkeerverplichting ziet op Nigeria. Tot slot ziet de rechtbank ook in de omstandigheid dat een eerdere asielaanvraag van eiser vanwege een Dublinoverdracht niet in behandeling is genomen, geen aanleiding voor het oordeel dat een lichter middel moet worden opgelegd.

Eiser heeft aangegeven last van stress te hebben en daar soms een psycholoog voor te bezoeken. Ook slaapt hij slecht en gebruikt daar medicatie voor. Door de minister is eiser erop gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat eiser geen persoonlijke omstandigheden kenbaar heeft gemaakt op grond waarvan de bewaring als onredelijk bezwarend moet worden gezien. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen.

Voortvarendheid

9. De rechtbank stelt vast dat er sinds het opleggen van de bewaringsmaatregel twee vertrekgesprekken met eiser gevoerd, op 20 november 2025 en 8 december 2025. Daarnaast heeft de minister op de zitting toegelicht dat er op de gebruikelijke wijze wordt gerappelleerd op de lp-aanvraag van 8 juli 2025. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Zicht op uitzetting

10. De rechtbank neemt daarom aan dat zicht op uitzetting naar Nigeria in het algemeen, maar ook specifiek voor eiser niet ontbreekt. Daar komt bij dat eiser geen medewerking verleent aan zijn uitzetting. Het zicht op uitzetting is ook daarom in beginsel gegeven.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.A.G. van Dijk

Griffier

  • mr. H.A. van der Wal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?