[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van (gestelde) Egyptische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Inleiding
1. De minister heeft op 20 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De geplande zitting op 12 december 2025 heeft geen doorgang gevonden vanwege het gebrek aan een beschikbare tolk. Op 15 december 2025 heeft de gemachtigde van eiser nadere gronden ingediend en toestemming gegeven de zaak op stukken af te doen. Op dezelfde dag heeft de rechtbank partijen gevraagd om schriftelijk op vragen van de rechtbank te reageren en aan de minister gevraagd om aan te geven of een (nadere) zitting gewenst is. Op 17 december 2025 heeft de gemachtigde van de minister schriftelijke gereageerd. De gemachtigde van eiser heeft op dezelfde dag gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 18 december 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 17 november 2025. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 14 november 2025 is gebeurd.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt dat zicht op uitzetting ontbreekt omdat de lp-aanvraag dateert van 14 oktober 2024 en daar door de Egyptische autoriteiten nog op is gereageerd. Ook is geen sprake van een presentatie. Bovendien is er niets vernomen van een onderzoek in Egypte naar de identiteit van eiser. Ondanks dat dit door de minister al op de zitting van 5 september 2025 is aangekondigd.
Ook kan eiser niet terug naar Egypte, omdat hij homoseksueel is en afvallig. Bij terugkeer vreest hij voor vervolging. Bij uitzetting dient ook het beginsel van non-refoulement te worden beoordeeld. Daar komt bij dat eiser zijn juiste personalia heeft doorgegeven en heeft verklaard afkomstig te zijn uit Egypte.
De bewaring wordt bovendien steeds zwaarder voor eiser. Zijn medische klachten nemen toe, zoals ook volgt uit een meegestuurde medische brief. Een lichter middel zoals een meldplicht ligt in de rede en eiser is bereid zich daaraan te houden.Wat vindt de minister?
4. De minister stelt zich op het standpunt dat sprake is van zicht uit op zetting. Er wordt op regelmatige basis gerappelleerd op de lp-aanvraag. Een presentatie is nog niet ingepland, omdat dit op initiatief plaatsvindt van de Egyptische autoriteiten. Daarnaast werkt eiser ook niet mee aan zijn uitzetting. Dat de afgifte van de lp langer duurt, komt voor rekening en risico van eiser.
Het risico op refoulement kan niet realistisch worden onderzocht, omdat de nationaliteit en herkomst van eiser niet aannemelijk is. Een grondiger beoordeling van dat risico in de eerste fase van de terugkeerprocedure is dus niet mogelijk, omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst door eisers eigen toedoen niet aannemelijk zijn. Op het moment dat de Egyptische autoriteiten een lp verstrekken aan eiser, zal hij worden uitgezet. De meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats (de rechtbank begrijpt) Haarlem, moet het asielbesluit nog beoordelen. Gedurende deze tijd is eiser uitzetbaar, omdat de rechtbank geen voorlopige voorziening heeft getroffen.
De minister ziet geen aanleiding een lichter middel toe te passen. Dat de pijnklachten van eiser erger worden in detentie is niet onderbouwd met de overgelegde medische stukken. Bovendien dateert het medische stuk uit 2024. Dit leidt daarom niet tot detentieongeschiktheid.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank overweegt allereerst dat de maatregel van bewaring een belastend besluit is. Dit betekent dat de bewijslast dat de voortduring van de maatregel nog altijd rechtmatig is op de minister rust. De minister moet daarom uit eigen beweging blijven onderzoeken of tijdens de voortduring van de maatregel het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. De maatregel wordt namelijk opgelegd met als doel om eiser uit te zetten. Als zicht op (gedwongen) uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, is de bewaring alleen al daarom onrechtmatig.
6. De rechtbank oordeelt dat in dit geval zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn voor eiser naar Egypte ontbreekt. De rechtbank stelt vast dat de lp-aanvraag van eiser is ingediend op 11 oktober 2024. Daar is door de minister inmiddels twintig keer op gerappelleerd, maar dit heeft niet tot enig resultaat geleid. De rechtbank vindt een termijn van meer dan een jaar een onredelijk lange termijn om nog zicht op uitzetting naar Egypte te verwachten. Daarbij betrekt de rechtbank dat nog geen zicht is op een mogelijke presentatie bij de Egyptische autoriteiten, ondanks dat in het vertrekgesprek van 5 november 2025 is toegezegd de presentatiemogelijkheden te onderzoeken. Dat de minister voor een presentatie inderdaad afhankelijk is voor de Egyptische autoriteiten betekent niet dat de minister daarom kan stellen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig is. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de minister, los van de vertrekgesprekken en het schriftelijke rappel op de lp-aanvraag, geen verdere stappen heeft ondernomen om de uitzetting van eiser te bevorderen. Er is, ondanks de lang duur van de lp-aanvraag, geen bijzondere aandacht voor eiser gevraagd bij de autoriteiten. Daar komt bij dat niets bekend is over het door de minister op de zitting van 5 september 2025 toegezegde onderzoek naar de identiteit van eiser door de liaison-officer in Egypte. Gelet op de lange duur van de lopende lp-aanvraag had dit naar het oordeel van de rechtbank wel in de rede gelegen. Van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is in dit geval dus geen sprake. Het beroep is alleen al hierom gegrond.
7. Dit betekent dat de rechtbank de overige beroepsgronden niet meer hoeft te bespreken. De rechtbank merkt ten overvloede op dat eisers asielaanvraag en de toetsing van het non-refoulement risico voorligt bij de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem. De rechtbank kan daarom op dit moment niet beoordelen of sprake is van een non-refoulement risico. Omdat het beroep al gegrond is vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn zal de rechtbank zich hierover niet verder uitlaten.
Conclusie en gevolgen
8. Dit betekent dat het beroep gegrond is en de bewaring onrechtmatig is vanaf het sluiten van het vorige onderzoek op 14 november 2025. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
9. De rechtbank zal schadevergoeding toekennen voor de 35 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel, namelijk vanaf 14 november 2025 tot en met 18 december 2025. Dit komt neer op een bedrag van 35 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 3.500,-
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.360,50. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenveroordeling betalen aan de rechtsbijstandsverlener.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.