RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58762
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 10 december 2025 de maatregel opgeheven.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 8 december 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 10 december 2025 op gereageerd. Op 11 december 2025 heeft eiser gereageerd op het verweerschrift. Op 12 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Eiser voert geen gronden aan tegen oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, maar wel tegen het voortduren ervan. Eiser wilde graag op 5 december 2025 terugkeren naar Mali, maar dit was niet mogelijk vanwege de lopende asielprocedure. Eiser was echter bereid om de procedure in te trekken. Bovendien was eiser in het bezit van een retourticket voor deze datum en had hij alleen zijn paspoort nog nodig om te vertrekken. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan terugkeer naar zijn land van herkomst. Verweerder heeft namelijk een terugkeerbesluit genomen ertoe strekkende dat eiser naar Canada moet vertrekken. Daarnaast ontbreekt onttrekkingsgevaar omdat eiser terug wil keren naar Mali, daartoe initiatief heeft genomen en verweerder in het bezit is van zijn paspoort. Ook heeft verweerder eiser na de beslissing op de asielaanvraag op een onjuiste grondslag in bewaring gelaten.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat verweerder op grond van artikel 6, derde lid, Vw een vrijheidsontnemende maatregel heeft mogen opleggen. Daarbij is ook van belang dat een minder dwingende maatregel betekent dat verweerder het grensbewakingsbelang zou moeten opgeven. Slechts in zeer bijzondere gevallen wordt van dit uitgangspunt afgeweken.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de maatregel eerder had moeten opheffen. Zolang er nog een asielprocedure loopt, moet verweerder ervanuit gaan dat eiser bescherming behoeft en dat eisers documenten nodig zijn bij de beoordeling daarvan. Dat eiser bereid was om zijn asielaanvraag in te trekken doet daar niet aan af. Hij heeft dit immers niet gedaan zolang de asielprocedure nog liep. Ook de wens van eiser om terug te keren naar Mali is geen bijzondere omstandigheid waarin verweerder aanleiding had moeten zien om de bewaring op te heffen en het grensbewakingsbelang prijs te geven.
Verder is evenmin aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Dat verweerder een terugkeerbesluit neemt ten aanzien van een land dat niet eisers voorkeur geniet, betekent niet dat verweerder onvoldoende voortvarend aan eisers asielaanvraag, dan wel uitzetting, werkt. Verweerder heeft verder naar voren gebracht dat het paspoort van eiser op 9 december 2025 is opgevraagd bij Bureau Documenten en dat op 10 december 2025 een vlucht naar Mali is aangevraagd.
Verder oordeelt de rechtbank dat eiser, na het besluit van 7 december 2025 op zijn asielaanvraag, op de juiste grondslag in bewaring zat. De beroepstermijn tegen de afwijzende beslissing was namelijk nog niet verlopen. Verweerder heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat de enkele mail van gemachtigde van 8 december 2025, dat eiser geen beroep wenst in te stellen, geen reden is om in afwijking van de standaard werkwijze niet te wachten met het omzetten van de grondslag van de bewaringsmaatregel tot de beroepstermijn is verstreken en eiser verwijderbaar is. Niet is immers uit te sluiten dat eiser op zijn eerder verklaring zal terugkomen en alsnog beroep wil instellen. De rechtbank is met verweerder eens dat het feit dat de maatregel alsnog binnen de beroepstermijn is omgezet nadat eiser tijdens een vertrekgesprek op 9 december 2025 bijzondere individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht, niet betekent dat de maatregel bij aanvang van de beroepstermijn omgezet had moeten worden.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.