RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59220
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 23 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 10 november 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg is dat beroep ongegrond verklaard.
Op 18 november 2025 heeft verweerder de maatregel opgeheven ten behoeve van een nieuwe maatregel. Bij besluit van 18 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.
In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft alle zware gronden en lichte grond 4a bestreden. Ten aanzien van zware grond 3a voert eiser aan dat hij met overmacht en onder dwang Nederland is binnengekomen zonder zijn Marokkaanse paspoort. Van zijn broer moest hij zijn paspoort in Spanje laten. Bovendien is eiser een vluchteling en is het tegenwerpen van zware grond 3a disproportioneel. Over zware grond 3b voert eiser aan dat hij vanwege financiële redenen niet naar Ter Apel kon reizen om asiel aan te vragen. Daarnaast is hij in afwachting van zijn paspoort. Ten aanzien van artikel 3c voert eiser aan dat hij niet bekend is met het Italiaanse terugkeerbesluit. Niet is voldaan aan de vereiste bekendmaking. Over 3d voert eiser aan dat hij aantoonbaar meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Hij heeft een nationaliteitsverklaring ondertekend en probeert via zijn moeder en broer zijn paspoort naar Nederland te krijgen. Ten aanzien van zware grond 3e stelt eiser dat hij nooit een alias heeft gebruikt en zijn werkelijke identiteit en nationaliteit heeft doorgegeven aan de Nederlandse autoriteiten. Over zware grond 3i voert eiser aan dat hij weliswaar gezegd heeft dat hij niet terug kan, maar dat hij niettemin moeite doet om aan documenten te komen. Voor wat betreft grond 4a verwijst eiser naar wat hij aanvoert over de zware gronden 3a en 3d.
De rechtbank overweegt als volgt.
Verweerder heeft op zitting verklaard de zware grond onder 3c te laten vervallen en de overige gronden te handhaven. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 10 november 2025 volgt dat de zware gronden 3a en 3b terecht aan eiser zijn tegengeworpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de zware gronden 3a en 3b opnieuw mogen tegenwerpen. Eiser heeft geenszins onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat hij gedwongen werd om zijn paspoort achter te laten, maar ook in dat geval blijft feitelijk juist dat eiser zonder de vereiste reispapieren Nederland is binnengekomen. Ten aanzien van zware grond 3b staat eveneens vast dat eiser zich niet heeft gemeld in Ter Apel. Dat hij daar de financiële middelen niet voor zou hebben gehad doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond.
Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn de hiervoor genoemde gronden in beginsel al voldoende om ten aanzien van eiser een risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Nu in wat eiser naar voren heeft gebracht geen grond is gelegen om daar in dit geval anders over te oordelen, behoeven de overige bestreden gronden geen bespreking.
Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.