ECLI:NL:RBDHA:2025:24422

ECLI:NL:RBDHA:2025:24422, Rechtbank Den Haag, 18-12-2025, NL25.59257

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-12-2025
Datum publicatie 01-01-2026
Zaaknummer NL25.59257
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Artikel 6, derde lid - ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.59257

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2025 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft op 2 december 2025 de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Eiseres en haar echtgenoot zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen J.M. van Schaïk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Eiseres is het niet eens met de maatregel en voert kort samengevat het volgende aan. De asielaanvraag van eiseres is bij besluit van 20 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft zij een terugkeerbesluit gekregen met een vertrektermijn van nul dagen en een beroepstermijn van een week. Eiseres mag echter de uitkomst van het beroep in Nederland afwachten. Deze rechtsmiddelenclausule valt niet te rijmen met de onmiddellijke vertrekplicht. Eiseres stelt rechtmatig verblijf te hebben verkregen doordat zij de uitkomst van het beroep in Nederland mag afwachten. Dit maakt de bewaring vanaf het moment van het asielbesluit dan ook onrechtmatig. Verder wordt het beroep tegen de asielbeschikking en het terugkeerbesluit pas op 13 januari 2026 behandeld. Eiseres voert aan dat zij meer dan dertien weken in bewaring zal hebben gezeten voordat uitspraak wordt gedaan en dat dit in strijd is met jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter. Verder had verweerder kunnen volstaan met een lichter middel dan grensdetentie. Eiseres kent niemand in Nederland en heeft geen inkomen. Zij is volledig aangewezen op de algemene middelen. Daarnaast zal zij niets doen om zijn procedure in gevaar te brengen, omdat haar procedure de enige mogelijkheid is om haar verblijf te legaliseren. Van een onttrekkingsrisico is dus geen sprake.

De rechtbank overweegt als volgt.

De asielaanvraag van eiseres is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De werking van dit besluit wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Uit paragraaf A5/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat aan een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan worden opgelegd, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn. Dit kan het geval zijn als tijdig beroep wordt ingesteld. Doordat op 20 november 2025 een beroep is ingediend volgt uit paragraaf A5/3.1 onder c van de Vc dat eiseres nog altijd wordt aangemerkt als een verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn. Verweerder heeft dan ook terecht de maatregel die op grond van artikel 6, derde lid van de Vw aan eiseres is opgelegd en waarbij een beslissing over de toegang tot Nederland is uitgesteld, laten voortduren na afwijzing van haar asielaanvraag bij besluit van 20 november 2025.

De rechtbank stelt verder vast dat de maatregel op woensdag 5 november 2025 is opgelegd en dat de dertienwekentermijn op woensdag 4 februari 2026 verstrijkt. De behandeling van het asielberoep staat gepland op de zitting van 13 januari 2026. De rechtbank ziet vooralsnog geen grond voor het oordeel dat niet binnen de door de Afdeling gestelde termijn over het asielberoep zal worden geoordeeld. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel naar het zich laat aanzien niet onredelijk lang duurt of zal duren.

De rechtbank oordeelt verder dat verweerder op goede gronden het grensbewakingsbelang heeft laten prevaleren boven belangen van eiseres. Volgens artikel 5.1a, derde lid, van het Vb 2000 wordt een maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Van dergelijke omstandigheden is geen sprake.

Ook de stelling van eiseres dat er geen risico op onttrekking is omdat zij afhankelijk is van verweerder, leidt niet tot een ander oordeel. De maatregel van grensdetentie houdt in het geval van eiseres namelijk geen verband met het vaststellen van het risico op onttrekking, maar met het feit dat het asielverzoek van eiseres in de grensprocedure wordt behandeld. De behandeling in de grensprocedure is al voldoende voor het toepassen van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.

Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.W. Griffioen

Griffier

  • mr. J.R. Froma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?