Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 18 september 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M. Krommendijk in Zoetermeer .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall in ’s-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 4 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de man bijgestaan door zijn advocaat.
Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2017 in [plaats 1] .
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig en zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om de vrouw te gelasten de persoonlijke zaken van de man af te geven, te weten zijn (winter)kleding en gereedschap, zijn horloge, de gehele administratie van zijn bedrijf en de inboedelgoederen die zijn eigendom zijn.
Beoordeling
Uitsluitend gebruik van de echtelijke woning
De vrouw verzoekt het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te kennen. De man heeft inmiddels een eigen woning in [plaats 2] en stemt daarom in met het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Afgifte goederen strekkend tot het dagelijks gebruik
Op de zitting hebben partijen afspraken gemaakt over de afgifte van de persoonlijke spullen van de man. Zij hebben daarbij afgesproken dat de vrouw het volgende aan de man zal afgeven: de kleding, het horloge, de gereedschap en administratie van de man. De rechtbank zal dit opnemen in het dictum. Het verzoek van de man over de inboedelgoederen zal de rechtbank afwijzen, nu deze niet vallen onder artikel 822 lid 1 sub b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Voorlopige partneralimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen van € 7.468,- per maand. Zij stelt zich op het standpunt dat ze met haar eigen inkomen niet in de huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien, en daarom behoeftig is. De vrouw heeft daartoe een alimentatieberekening overgelegd waarbij de behoefte wordt berekend op basis van de Hofnorm.
De man voert verweer. Hij stelt dat de financiën van partijen gedurende het huwelijk altijd strikt gescheiden zijn gebleven. De man heeft conform artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden voor de helft bijgedragen aan de kosten van de huishouding, maar zijn overige inkomsten werden door hem aangewend voor de aankoop van onroerend goed. De vrouw heeft conform deze huwelijkse voorwaarden ook voor de helft bijgedragen aan de kosten van de huishouding, en de rest van haar inkomen voor zichzelf gehouden. Volgens de man kan de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw daarom niet worden berekend met de Hofnorm.
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 3 september 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7050, rechtsoverweging 3.4) als volgt heeft geoordeeld: “Bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (HR 19 december 2003, nr. R03/040, LJN AM2379, NJ 2004, 140). Door 60% van het vroegere netto gezinsinkomen als (enige) maatstaf te hanteren, heeft het hof miskend dat de behoefte aan alimentatie in redelijkheid moet worden bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden als voormeld.”
Omdat de man de toepassing van de Hofnorm voldoende gemotiveerd heeft betwist, is het vervolgens aan de vrouw om concreet inzicht te geven in de hoogte en de aard van de inkomsten en de reële uitgaven en kosten van haar levensonderhoud. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw dit onvoldoende gedaan. Door de vrouw worden – in het kader van de uitgaven en kosten – weliswaar diverse posten genoemd die volgens haar door de man werden betaald zoals vliegtickets, vakanties, shoppen en uiteten, maar dit is door de man betwist en verder niet door de vrouw onderbouwd of gespecificeerd met stukken en bedragen. De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen of en in welke mate er sprake is van behoeftigheid. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de vrouw een eigen inkomen heeft. Zij heeft aangegeven op dit moment druk bezig te zijn met het vinden van nieuwe opdrachtgevers. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [plaats 1] , beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
*
beveelt dat de vrouw aan de man de volgende goederen – strekkend voor het dagelijks gebruik van de man – beschikbaar zal stellen: de kleding, het horloge, de gereedschap en administratie van het bedrijf van de man;
*verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.