RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53126
(gemachtigde: mr. E. Sahin),
en
(gemachtigde: mr. O. Sari).
1. Deze uitspraak op het beroep van eiseres gaat over het besluit van de minister om de aanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen, omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 16 september 2025 in Nederland een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin staat dat op grond van de Dublinverordening de minister een asielaanvraag niet in behandeling neemt als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiseres op 20 augustus 2025 in België een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De minister heeft daarom op 25 september 2025 de autoriteiten van België verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening. Op 30 september 2025 zijn de autoriteiten van België hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan België een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens de minister geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Mag de minister voor België uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiseres betoogt dat ten aanzien van België niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hiertoe voert zij aan dat er concrete aanwijzingen bestaan dat België zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Volgens eiseres zijn er structurele en systematische tekortkomingen in de opvang van asielzoekers en in de gevolgen daarvan voor hun levensomstandigheden. Daartoe verwijst eiseres naar pagina 104–107 van het AIDA-rapport van mei 2024. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres verwezen naar twee uitspraken van deze rechtbank zittingsplaats Groningen van 4 november 2025 en zittingsplaats Amsterdam van 24 oktober 2025 en toegelicht dat ook gezinnen met kinderen problemen ervaren in België.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 volgt dat ten aanzien van België, voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Onder andere omdat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat ook voor gezinnen met kinderen sprake is van structurele problemen in de opvang echter slechts verwezen naar het AIDA-rapport voor zover dat ziet op het gebrek aan opvangvoorzieningen voor alleenstaande mannen. Eiseres heeft derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de opvangvoorzieningen voor gezinnen met kinderen in België systeemfouten bestaan. De minister heeft ter zitting bovendien gewezen op het meest recente AIDA-rapport van juni 2025 (p. 116), waaruit blijkt dat gezinnen met kinderen worden opgevangen. Gezien bovenstaande mocht de minister in onderhavige zaak uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België.
Dient eiseres te worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar persoon?
5. Eiseres betoogt dat zij als bijzonder kwetsbaar persoon moet worden aangemerkt. Ter zitting is door de gemachtigde van eiseres toegelicht dat uit de passage op pagina 4 van het verslag van het aanmeldgehoor, “Ik wilde mijn procedure in België annuleren, maar dat is niet gelukt omdat ik daar geen opvang meer kreeg. En er waren geen mogelijkheden voor mijn kind in België. We zijn toen toch terug naar België gegaan vanwege familieproblemen, maar het bleef erg moeilijk”, mogelijk zou kunnen worden afgeleid dat eiseres als alleenstaande moeder moet worden beschouwd, al is dit volgens gemachtigde niet met zekerheid vast te stellen ook omdat hij eiseres zelf hierover niet heeft gesproken. Verder verwijst eiseres naar de arresten Popov tegen Frankrijk, Tarakhel tegen Zwitserland en Ibrahim, waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens benadrukt dat bij de beoordeling van asielzaken bijzondere aandacht moet worden besteed aan kwetsbare personen. Volgens eiseres heeft de minister dit onvoldoende meegewogen.
6. De beroepsgrond slaagt niet. Uit de bij het aanmeldgehoor vastgelegde burgerlijke status (alsook uit eerdere asielprocedures) blijkt dat eiseres wel degelijk een partner heeft, terwijl uit de door de gemachtigde aangehaalde passage niet volgt dat zij alleenstaand is. Ook als eiseres wel alleenstaand ouder zou zijn volgt uit dat enkele feit niet dat zij als bijzonder kwetsbaar moet worden beschouwd. De gemachtigde heeft verder echter niet onderbouwd waarom eiseres wel als zodanig zou moeten worden beschouwd en heeft ook niet geconcretiseerd op welke wijze de minister daar dan rekening mee had moeten houden. De minister heeft, zoals hierboven is uiteengezet, terecht overwogen dat ervan mag worden uitgegaan dat eiseres in België met haar kind zal worden opgevangen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.