RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38883
(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),
en
(gemachtigde: M.J.C. van der Woning).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 15 augustus 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Ethiopische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Hij behoort tot de Tigrese bevolkingsgroep en woonde met zijn ouders en broers en zussen in Adi Qmalek. Nadat in Tigray de oorlog uitbrak in november 2020 werden eiser en zijn familie als vermeend aanhanger van de Tigray People’s Liberation Front (TPLF) gezien. Op 22 november 2020 drongen Ethiopische en Eritrese soldaten zijn ouderlijk huis binnen en hebben zijn ouders, broers en zussen doodgeschoten. Eiser raakte zelf gewond aan zijn arm door een machete-aanval, wat een zichtbaar litteken heeft achtergelaten. Na deze aanval is hij samen met zijn oom naar Mekele en vervolgens in september 2021 naar Addis Abeba gevlucht. In Addis Abeba werd zijn oom opgepakt door de politie omdat hij Tigreeër is, en de autoriteiten waren ook naar eiser op zoek. Tegelijkertijd werd eiser door TPLF verdacht van samenwerking met Eritreeërs en beschuldigd van spionage, waardoor ook zij hem zochten. Eiser werd dus zowel door de federale overheid als door de TPLF en de gemeenschap bedreigd. Hij is daarom vervolgens met hulp van een smokkelaar via Soedan, Libië en Europa naar Nederland gevlucht en kwam op 8 augustus 2023 in Amsterdam aan. Bij terugkeer vreest eiser hetzelfde lot als zijn familie: arrestatie, mishandeling of doding vanwege zijn etniciteit.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, evenals dat hij behoort tot de Tigraway en daardoor discriminatie heeft ondervonden. Het asielmotief van vervolging door de politie en de algemene veiligheidssituatie in Ethiopië acht de minister echter ongeloofwaardig. Volgens de minister heeft eiser zijn verklaringen dat hij door de politie wordt gezocht niet onderbouwd met objectieve stukken en zijn relaas vormt geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft volgens de minister niet inzichtelijk gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer. Ook voldoet eiser niet aan de voorwaarden van het beleid ‘eerdere confrontatie met wandaden’. Uit de geloofwaardig geachte asielmotieven volgt niet dat eiser kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag, noch dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij is in aanmerking genomen dat de veiligheidssituatie voor Tigreeërs sinds het ondertekenen van de staakt-het-vuren-overeenkomst van 2 november 2022 is verbeterd, hetgeen ook bevestigd wordt in het meest recente algemeen ambtsbericht van januari 2024. Eiser dient daarom met concrete en individuele omstandigheden aannemelijk te maken dat hij persoonlijk gevaar loopt. Volgens de minister is eiser daarin niet geslaagd. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen.
Heeft de minister eisers problemen met de politie ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de problemen met de politie ongeloofwaardig acht. De minister heeft volgens eiser ten onrechte ten nadele van hem meegewogen dat hij de gestelde problemen met de politie niet met documenten, zoals een arrestatiebevel, heeft onderbouwd. Volgens eiser blijkt uit de tijdens de zienswijze ingebrachte informatie dat van hem niet kan worden verwacht dat hij een arrestatiebevel overlegt. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser ter onderbouwing van de ingebrachte informatie in de zienswijze nog verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 9 oktober 2025. Eiser voert verder aan dat de minister de informatie over de algemene veiligheidssituatie in Tigray na het vredesakkoord onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van zijn aanvraag.
De rechtbank stelt allereerst voorop dat de enkele verwijzing van eiser naar de zienswijze onvoldoende is om ter onderbouwing van het beroep aan te merken. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit, mede onder verwijzing naar de overwegingen in het voornemen, gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze. Voor zover eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten deze motivering ontoereikend is, kan de enkele verwijzing naar wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
De rechtbank stelt verder voorop dat niet in geschil is dat eiser zijn vrees voor vervolging door de politie en vrees bij terugkeer naar Ethiopië, gelet op de algemene veiligheidssituatie in Tigray niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000
Naar het oordeel van de rechtbank is de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op het betoog van eiser ingegaan. Het is aan eiser om zijn gestelde problemen bij terugkeer aannemelijk te maken. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser mag worden aangerekend dat hij geen objectieve informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk door de politie wordt gezocht. De stelling van eiser dat van hem niet kan worden verwacht dat hij een arrestatiebevel overlegt, volgt de rechtbank niet. Uit diverse bronnen blijkt inderdaad dat, met name tijdens de noodtoestand en in de context van de oorlog in Tigray, ook arrestaties zonder formeel bevel hebben plaatsgevonden. Dit betekent echter niet dat eiser daarmee reeds aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn persoonlijke geval sprake is van een concrete zoekactie of vervolging. Eiser heeft tot slot het standpunt van de minister dat eiser onvoldoende consistent en concreet heeft verklaard over de gestelde vervolging door de politie niet betwist. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Komt eiser in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van eerdere confrontatie met wandaden?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat hij zich ten onrechte heeft beroepen op het beleid inzake ‘eerdere confrontatie met wandaden’ en dat de minister daarbij een onvoldoende belangenafweging heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat eiser in beroep onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd waarom hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van eerdere confrontatie met wandaden. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 29, eerste lid onder b, van de Vw 2000 en paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.