ECLI:NL:RBDHA:2025:24482

ECLI:NL:RBDHA:2025:24482, Rechtbank Den Haag, 18-12-2025, NL24.28673

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-12-2025
Datum publicatie 22-12-2025
Zaaknummer NL24.28673
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

asiel, bekering tot het christendom, besluitvorming zorgvuldig tot stand gekomen, geen gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade, overschrijding redelijke termijn, beroep ongegrond, wel toekenning proceskosten.

Uitspraak

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de asielaanvraag terecht als ongegrond heeft afgewezen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister in stand kan blijven. Het besluit is zorgvuldig tot stand gekomen en de minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers gestelde bekering tot het christendom en de daarmee samenhangende geloofsgroei ongeloofwaardig zijn bevonden. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser vanwege zijn geloofwaardig geachte afvalligheid geen gegronde vrees heeft voor vervolging en dat hij bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Inleiding

2. Eiser heeft op 7 november 2019 een opvolgende aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 20 juni 2024 afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser en diens gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser komt uit Irak. Hij heeft zich in Irak afgewend van de islam, is afvallig geworden en heeft zich bekeerd tot het christendom. Volgens eiser lopen personen die zich afkeren van de islam en zich niet conformeren aan de islamitische normen en waarden bij terugkeer een reëel risico op vervolging of ernstige schade. Eiser stelt dat zijn familie en stam op de hoogte zijn van zijn afvalligheid, aangezien hij zijn oom expliciet heeft verteld dat hij niet langer in de islam gelooft. Zijn stamafkomst is volgens hem relevant, omdat er een verband bestaat tussen de gestelde vrees voor vervolging wegens afvalligheid en zijn sociale en etnische achtergrond. Daarnaast voert eiser aan dat hij een verwesterde levensstijl heeft aangenomen, hetgeen volgens hem onlosmakelijk samenhangt met zijn afwending van de islam. Eiser stelt dat al deze factoren - zijn afvalligheid, bekering, stamafkomst en verwesterde levensstijl - in onderlinge samenhang ertoe leiden dat hij bij terugkeer naar Irak een gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. afvalligheid;

3. bekering tot het christendom;

4. verwestering.

De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, evenals de door hem gestelde afvalligheid geloofwaardig worden geacht. De verklaringen van eiser over zijn bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende problemen acht de minister ongeloofwaardig. Daarnaast wordt eiser niet gevolgd in zijn betoog dat hij een verwesterde levensstijl heeft aangenomen. Bovendien heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak vanwege zijn afvalligheid gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade of dat zijn stamafkomst in dat verband relevant is.

Is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?

5. Nadat de minister op 26 juli 2023 een voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag heeft uitgebracht, is eiser aanvullend gehoord. Vervolgens is op 21 februari 2024 een aanvullend voornemen uitgebracht dat mede aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Eiser betoogt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de minister geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft uitgevoerd. Volgens eiser had de minister alle verklaringen van eiser in onderlinge samenhang moeten beoordelen. Het bestreden besluit getuigt volgens eiser onvoldoende van een integrale beoordeling van het gehele dossier, waarbij eerdere verklaringen opnieuw hadden moeten worden bezien in het licht van later afgelegde verklaringen, met name ten aanzien van de geloofsgroei die bij eiser heeft plaatsgevonden. Daarnaast voert eiser aan dat de minister bij de vraagstelling en beoordeling van zijn verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, mede gelet op zijn medische en psychische problematiek. Zo heeft de minister de betekenis van termen als ‘afkeren, afstappen van het geloof, praktiseren en afvalligheid’ niet met eiser besproken, terwijl de minister aan deze begrippen een andere betekenis toekent dan eiser.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het bestreden besluit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht, waarbij de eerdere verklaringen van eiser opnieuw zijn beoordeeld in het licht van de later afgelegde verklaringen, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd. Eisers bekering tot het christendom is niet enkel beoordeeld op basis van het laatste gehoor, dat met name in het kader stond van de gestelde geloofsgroei. De ontwikkelingen op het gebied van eisers bekering, zijn deelname aan Bijbelstudie en zijn doop zijn meegewogen in samenhang met alle eerder afgelegde verklaringen over zijn bekering tot het christendom, welke reeds uitgebreid zijn gewogen en beoordeeld in het voornemen van 26 juli 2023. De beoordeling in het aanvullend voornemen van 21 februari 2024 maakt onderdeel uit van het voornemen van 26 juli 2023 en betreft eveneens een integrale beoordeling. Verder blijkt uit de verschillende gehoren en uit het bestreden besluit dat de minister rekening heeft gehouden met de medische situatie van eiser, onder meer door de wijze van vraagstelling aan te passen en pauzes aan te bieden tijdens de gehoren. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beoordeling onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De beroepsgrond slaagt niet.

Acht de minister de bekering tot het christendom van eiser ten onrechte ongeloofwaardig?

6. Eiser betoogt dat de minister zijn bekering tot het christendom ten onrechte ongeloofwaardig acht. Eiser beschouwt zichzelf als christen en voert, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), aan dat er in zijn geval gedurende de procedure overduidelijk sprake is van ‘geloofsgroei’. Eiser vindt dat hij niet ongeloofwaardig heeft verklaard en geeft daarbij aan dat de vraagstelling tijdens de gehoren vanwege zijn referentiekader niet altijd even helder is geweest. Hij mist het vermogen om kennis op te kunnen slaan/te onthouden en om zijn gedachten en gevoelens goed te kunnen verwoorden. Dit heeft te maken met het grote aantal medische en psychische klachten waar eiser mee kampt. Daardoor wijkt de betekenis die eiser toekent aan verschillende begrippen die van belang zijn in het kader van afvalligheid en bekering af van de betekenis die de minister daaraan heeft toegekend. Daarnaast stelt eiser dat de verklaringen die door de minister als wisselend zijn bestempeld, niet opwegen tegen de verklaringen die wel consistent zijn. Ter onderbouwing van zijn bekering tot het christendom verwijst eiser naar zijn doop op 8 oktober 2023 en naar de overgelegde verklaringen van de dominee van de International Christian Fellowship (ICF), mede namens de Koerdische kerk, waaruit volgens eiser blijkt dat men bij de kerk voldoende overtuigd is van de oprechtheid van zijn bekering. Uit deze verklaringen blijkt dat eiser jarenlang een trouwe bezoeker van de ICF en de Koerdische kerk is, dat hij op zondagen twee verschillende diensten bijwoont, vrijwilligerswerk voor de kerk verricht, deelneemt aan Bijbellessen en de Bijbel ook zelfstandig probeert te lezen. Eiser is van mening dat zijn enigszins beperkte kennis van het geloof door al deze omstandigheden moet worden gecompenseerd.

Het toetsingskader

Ter beoordeling van de rechtbank staat of de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bekering van eiser ongeloofwaardig is. De rechtbank neemt daarbij Werkinstructie (WI) 2022/3 als uitgangspunt. Volgens paragraaf 3.3 van WI 2022/3 richt de minister zich, om de geloofwaardigheid van een bekering in het kader van een asielaanvraag te kunnen toetsen, op de volgende drie elementen:

- de motieven voor en het proces van bekering;

- de kennis van het nieuwe geloof, en;

- de activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen.

De verklaringen van de vreemdeling over de drie elementen moeten steeds bezien worden in hun onderlinge samenhang, maar ook in het licht van de overige omstandigheden. Dit betekent dat de minister een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling maakt, waarbij alle informatie uit het dossier wordt betrokken en waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. Primair wordt gekeken naar de eigen verklaring van de vreemdeling, maar ook andere informatie in het dossier (zoals verklaringen van derde partijen) wordt betrokken. Volgens WI 2022/3 toetst de minister of aannemelijk is gemaakt dat de door de vreemdeling gestelde oprechte bekering gebaseerd is op een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Als dit aannemelijk is gemaakt, wordt uitgegaan van een geloofwaardige bekering. Uit WI 2022/3 volgt dat beperkte verklaringen over één element eventueel kunnen worden gecompenseerd met verklaringen over de andere twee elementen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de bekering tot het christendom en de daarmee samenhangende geloofsgroei ongeloofwaardig zijn. Hoewel de minister eiser volgt in zijn verklaring dat hij gedoopt is en naar de kerk gaat is eiser er niet in geslaagd om op authentieke wijze te verklaren over de motieven voor én het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof en de verrichte activiteiten. Eiser beroept zich op geloofsgroei en dient daarom inzichtelijk te kunnen verklaren over het proces van die gestelde geloofsgroei. Eiser is tijdens meerdere gehoren, in het bijzonder in het aanvullend gehoor van 24 januari 2024, in de gelegenheid gesteld om hierover uitgebreid te verklaren. Bovendien mag van eiser, nu hij stelt sinds 2005 met het christelijke geloof bezig te zijn, worden verwacht dat hij hierover uitgebreid kan verklaren. Eiser heeft bijvoorbeeld geen inzicht gegeven in wat de doop persoonlijk voor hem betekent. Hij heeft enkel verklaard dat hij een verandering heeft doorgemaakt, dat hij een tolerant persoon is geworden en dat hij meer vergevingsgezind is. De minister heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen diepgaande en overtuigende verklaring heeft gegeven over de wijze waarop deze veranderingen door het christelijke geloof zijn teweeggebracht. Eiser heeft bovendien niet concreet kunnen toelichten wat er in zijn leven daadwerkelijk is veranderd, anders dan dat hij stelt vergevingsgezinder te zijn geworden. De minister heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser in het kader van zijn gestelde geloofsgroei niets nieuws naar voren heeft gebracht ten opzichte van de eerdere gehoren, waarin hij eveneens had verklaard dat hij naar de kerk gaat en daarin vreugde en rust ervaart.

De minister heeft zich daarnaast op het standpunt mogen stellen dat eiser over een beperkte kennis van het christendom beschikt. Zo kon eiser niet benoemen wie Jezus heeft verraden, wist hij niet meer wie de apostelen zijn en kende hij niet alle feestdagen. Eiser heeft enerzijds verklaard dat de gebrekkige kennis het gevolg is van zijn referentiekader en medische situatie. Anderzijds heeft hij verklaard dat hij nog maar beginnend is in het geloof. Ten aanzien van de medische omstandigheden overweegt de rechtbank dat onder 5.1. reeds is geoordeeld dat de minister hiermee voldoende rekening heeft gehouden. Hoewel aan eiser korte, gerichte vragen zijn gesteld, hem extra tijd is geboden voor de beantwoording en regelmatig pauzes zijn ingelast en vragen zijn herformuleerd als hij deze niet begreep, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser nog steeds slechts oppervlakkig heeft verklaard over wat hem in het christendom aanspreekt en waarom hij specifiek voor het christendom heeft gekozen. De minister heeft op goede gronden geconcludeerd dat de overgelegde verklaringen van derden, waaronder die van de dominee, eisers beperkte en onvoldoende overtuigende verklaringen over de persoonlijke betekenis van zijn bekering en van het christendom niet compenseren.

De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat, nu eiser zelf heeft betoogd dat hij al twintig jaar bezig is met verdieping in het christelijke geloof, van hem, ondanks zijn medische situatie, meer mag worden verwacht. Ten aanzien van eisers verklaring dat zijn beperkte kennis voortkomt uit het feit dat hij beginnend is in het geloof, heeft de minister eiser ook mogen tegenwerpen dat deze verklaring niet te rijmen valt met eisers stelling dat hij zich al sinds 2005 verdiept in het christendom. In beide situaties mocht de minister van eiser redelijkerwijs verwachten dat hij meer en concreter kan verklaren, te meer omdat hij een beroep doet op geloofsgroei. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft eiser bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging als gevolg van zijn afvalligheid en gestelde verwestering?

7. Eiser betoogt dat de minister zich onterecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft vanwege zijn geloofwaardig geachte afvalligheid en verwesterde leefstijl. De toekomstige uiting van de afvalligheid is voor eiser een belangrijk onderdeel van zijn leven en van belang voor zijn religieuze identiteit. Eiser vreest bij terugkeer met name voor zijn eigen omgeving/zijn eigen stam. De Sheikh-stam die onder de Barzanji-stam valt waar eiser toe behoort is een traditionele, streng islamitische stam. Dat een eventueel gevaar voor afvalligen en bekeerlingen in Irak met name uit de eigen familie/omgeving komt volgt ook uit de door zowel de minister als eiser aangehaalde landeninformatie. Eiser kan zich bij terugkeer in Irak niet meer conformeren aan Islamitische gedragsregels en gebruiken. Daarnaast zal eiser zich kritisch uiten over de islam omdat hij zijn afwending niet langer verborgen kan houden. Anders dan de minister stelt is de afvalligheid onderdeel geworden van de identiteit van eiser. Eiser is na 22 jaar verblijf in Europa een ander mens geworden.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging. Niet is gebleken dat de toekomstige uiting van eisers afvalligheid een belangrijk onderdeel is van zijn religieuze identiteit. Eiser heeft verklaard dat hij in Nederland niet over zijn geloof spreekt en dit in de toekomst ook niet zou willen doen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de landeninformatie van VWN blijkt dat afvalligen geen risico lopen in de Koerdische Autonome Regio afgezien van hun eigen familie en clans. De minister heeft eiser niet ten onrechte niet gevolgd in zijn betoog dat hij te vrezen heeft voor zijn eigen familiestam. Nergens blijkt uit dat eisers stamafkomst gedurende zijn asielprocedures voor hem van belang was. Eiser heeft niet betwist in eerdere procedures gebruik te hebben gemaakt van andere persoonsgegevens. Zo heeft eiser zich voorgedaan als ‘[persoon A]’ en in Noorwegen als ‘[persoon B]’ met de geboortedatum [geboortedatum] 1979 en heeft hij een tijdlang onder deze namen geleefd. De minister heeft uit de omstandigheid dat eiser gebruik maakt van andere identiteiten terecht afgeleid dat dit laat zien dat hij geen belang hecht aan zijn eigen afkomst. Daarnaast heeft eiser tijdens zijn eerdere gehoren, onder zijn huidige persoonsgegevens, zijn stamafkomst in het geheel niet genoemd. Ook is eiser in eerdere gehoren uitgebreid in de gelegenheid gesteld om aan te geven voor wie hij vreest. Tijdens het nader gehoor van 11 september 2020 heeft hij herhaaldelijk verklaard dat hij uitsluitend vreest voor andere families die met de autoriteiten samenwerken en heeft hij niets verklaard over zijn stam of zijn oom. Ten aanzien van de stelling dat eiser zich bij terugkeer terughoudend zal moeten opstellen, wordt overwogen dat uit openbare bronnen blijkt dat het islamitische geloof in Irak door de meerderheid van de bevolking niet wordt gepraktiseerd en dat het niet praktiseren in het dagelijks leven doorgaans geen problemen oplevert. De samenleving in Irak houdt zich niet actief bezig met het concept afvalligheid. De minister heeft eiser in dit verband mogen tegenwerpen dat eiser sinds zijn vertrek uit Irak in 2002, geen deel meer uitmaakt van zijn stam of gestelde geloofsgemeenschap, en dat daarom geen sprake is van een gegronde vrees bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister eiser uitstel van vertrek op medische gronden moeten verlenen?

8. Eiser betoogt dat de minister zich onterecht op het standpunt heeft gesteld dat geen ambtshalve toetsing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) hoefde plaats te vinden, omdat het zou gaan om een herhaalde asielaanvraag. Eiser voert aan dat uit het dossier blijkt dat hij onder behandeling staat van verschillende medische specialisten, en dat er voor de minister aanleiding bestond om te beoordelen of sprake is van uitstel van vertrek op medische gronden.

De rechtbank overweegt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij een opvolgende asielaanvraag niet ambtshalve hoeft te worden beoordeeld of uitzetting medisch onverantwoord is, of binnen afzienbare tijd na aankomst tot ernstige gezondheidsgevolgen leidt, zoals bedoeld in van artikel 64 van de Vw 2000. Hoewel de minister dit standpunt inneemt, blijkt uit zowel het voornemen als het bestreden besluit dat de minister desalniettemin aan artikel 64 van de Vw 2000 heeft beoogd te toetsen. In het voornemen staat namelijk:

Uitstel van vertrek

Omdat betrokkene niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel

en regulier voor bepaalde tijd, heeft hij geen recht om in Nederland te

verblijven en zal hij Nederland moeten verlaten. Is betrokkene om medische

redenen niet in staat om Nederland te verlaten dan kan hij uitstel van vertrek

krijgen (artikel 64 Vw). Betrokkene komt hiervoor niet in aanmerking, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in hoofdstuk A3/7 Vreemdelingencirculaire’

In de daarop volgende zienswijzen van 27 september 2023 en 27 maart 2024 heeft eiser niets over het voornemen op dit punt naar voren gebracht. De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat het aan hem is om aannemelijk te maken dat de behandeling bij GGZ kleur die blijkens het dossier op 1 juli 2025 is gestart, evenals de behandelingen voor zijn slaapapneu, nier- en leverproblemen, in Irak niet beschikbaar zijn. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister dit uit het dossier had moeten afleiden. Eiser heeft hierover tot aan de beroepsfase geen gronden aangevoerd, zodat de minister dit niet in het bestreden besluit heeft kunnen betrekken. Ook in de beroepsfase heeft eiser zijn stellingen niet met objectieve stukken onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Is de redelijke termijn overschreden?

9. Eiser betoogt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, omdat de behandeling van zijn asielaanvraag en de beroepsprocedure langer dan twee jaar heeft geduurd. Eiser voert aan dat hij om die reden in aanmerking dient te komen voor een immateriële schadevergoeding van € 2.000, -.

De rechtbank stelt op basis van de dossierstukken vast dat eiser op 7 november 2019 een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend. Bij beschikking van 17 september 2021 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen het afwijzende besluit op 12 november 2021 beroep ingesteld. Bij brief van 21 december 2022 heeft de minister de beschikking ingetrokken. Hierop heeft eiser op gelijke datum besloten het beroep in te trekken. Bij beschikking van 20 juni 2024 heeft de minister de aanvraag wederom afgewezen. Eiser heeft daartegen op 17 juli 2024, op nader aan te vullen gronden, beroep ingesteld.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling strekt het rechtszekerheidsbeginsel (dat mede aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag ligt) ertoe dat een bestuursrechtelijk geschil binnen een redelijke termijn wordt beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.

De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de eisende partij gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan, een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Deze termijn begint met het instellen van het beroep. De rechtbank heeft in beginsel twee jaar de tijd om uitspraak te doen.

In de onderhavige zaak is sprake van een ingetrokken besluit en is de vraag op welk moment het geschil een aanvang heeft genomen, mede gelet op het feit dat in asielzaken geen bezwaarschriftprocedure, maar een voornemenprocedure wordt gevolgd. Hiertoe overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, dat de redelijke termijn in zaken waarin een bezwaarprocedure geldt aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan een bezwaarschrift ontvangt. De uitsluiting van de bezwaarschriftprocedure in asielzaken is neergelegd in artikel 80 van de Vw 2000. Ter vervanging daarvan is de voornemenprocedure gekomen. Het voornemen is niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar vormt een onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op de aanvraag. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat het geschil een aanvang heeft genomen op het moment waarop eiser beroep heeft ingesteld tegen het door de minister genomen besluit, te weten op 12 november 2021. Verder oordeelt de rechtbank, met inachtneming van hetgeen in de bovengenoemde Afdelingsuitspraak is overwogen, dat bij de beoordeling van de redelijke termijn de duur van de procedure als geheel in aanmerking dient te worden genomen.

De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuur en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het EHRM naar voren komt. Voor zaken zoals deze, waarin het geschil aanvangt met het instellen van beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag, het beroep wordt ingetrokken omdat de minister het besluit heeft ingetrokken en daardoor een nieuw besluit op de aanvraag zal moeten nemen, acht de rechtbank een termijn van ten hoogste twee jaar redelijk, waarbij de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Sinds het instellen van het beroep op 12 november 2021 tegen het besluit van 17 september 2021 tot het moment waarop een einde is gekomen aan het materiële geschil, in dit geval bij de uitspraak van heden, zijn 4 jaar en één maand verstreken.

Het voorgaande betekent dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn gedurende een periode van twee jaar en één maand. Uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, dient de minister te worden veroordeeld tot een vergoeding van € 2.500,-.

De overschrijding van de redelijke termijn dient in dit geval volledig aan het bestuursorgaan te worden toegerekend. Dat is slechts anders als de rechtbank de redelijke behandelingsduur voor een beroep heeft overschreden. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van. De procedure bij de rechtbank heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 17 juli 2024, 16 maanden geduurd en valt daardoor binnen de redelijke termijn van 18 maanden. De beroepsgrond slaagt.

proceskostenvergoeding

10. De rechtbank zal eiser voor het verzoek om schadevergoeding een afzonderlijke proceskostenvergoeding toekennen van € 453,50 (1 punt voor het verzoekschrift, met wegingsfactor 0,5 waarde per punt € 907,-). Voor het verschijnen ter zitting zal aan eiser een proceskostenvergoeding worden toegekend van € 453,50,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 0,5 waarde per punt € 907,-).

Het totaal van de te vergoeden proceskosten die eiser in beroep heeft moeten maken, bedraagt daarmee € 907,-.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt een vergoeding van € 907,- voor zijn proceskosten. Daarnaast krijgt eiser een schadevergoeding van € 2.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser;

- veroordeelt de minister om aan eiser een immateriële schadevergoeding te betalen van € 2.500,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?