RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60191
(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Procesverloop
Bij besluit van 10 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 5 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan Frankrijk.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft over deze gronden aangevoerd aan dat hij wel beschikt over een adres en inkomen, waarmee de lichte gronden 4c en 4d onjuist zouden zijn. Verder betoogt hij dat hem nooit een meldplicht is opgelegd zodat hij zich ook niet aan het toezicht heeft onttrokken.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn zware gronden 3a en 3d feitelijk juist. De feitelijke juistheid is door eiser ook niet betwist. De feitelijke juistheid is voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Dat wat eiser heeft aangevoerd in het kader van de lichte gronden 4c en 4d en de zware grond 3b behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser betoogt dat aan hem een lichter middel opgelegd had moeten worden, zoals een meldplicht. Hij is namelijk pas drie maanden in Nederland en heeft verklaard te willen vertrekken naar Frankrijk. Daarbij komt dat hij ook heeft meegewerkt aan zijn overdracht aan Frankrijk. Daarnaast is aan eiser, toen hij in mei van dit jaar werd aangetroffen door de politie, geen meldplicht opgelegd en geen vertrektermijn geboden.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit de gronden van de maatregel van bewaring een risico op onttrekking aan het toezicht volgt en in dit geval geen lichter middel kon worden toegepast. Uit de maatregel blijkt dat aan eiser in mei van dit jaar wel is medegedeeld dat hij illegaal in Nederland was. Eiser heeft dus de kans gehad om zelfstandig te vertrekken. De minister stelt daarom terecht dat een lichter middel niet is aangewezen.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de
minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de
rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.