[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Inleiding
1. De minister heeft op 7 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep met behulp van telehoren op 12 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De gemachtigde van eiser en een tolk zijn op de rechtbank verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 4 november 2025. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 31 oktober 2025 is gebeurd.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister niet voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Eiser wijst er daarbij op dat de lp-aanvraag op 1 mei 2025 is verzonden en de minister er nog altijd niet in is geslaagd hem uit te zetten. Uit de voortgangsrapportage blijkt daarnaast dat de nationaliteit van eiser op 22 november 2025 is bevestigd, maar niet welke handelingen er sindsdien zijn verricht om voortvarend aan de uitzetting te werken. Op de zitting voert eiser daarnaast aan dat zicht op uitzetting ontbreekt. Er is weliswaar een vlucht gereserveerd met vertrek op 29 december 2025, maar een reservering geeft geen zicht op uitzetting omdat een vlucht op ieder moment geannuleerd kan worden. Eiser wijst er daarbij op dat de minister daarvoor niet alleen afhankelijk is van de Algerijnse maar ook van de Belgische autoriteiten. Dit maakt dat niet uit kan worden gegaan van een reservering. Verder had de vlucht al op een eerder moment moeten plaatsvinden. Op de zitting heeft eiser opgemerkt dat hij Algerijns staatsburger is en het recht heeft gepresenteerd te worden.
Eiser stelt daarnaast dat met het opleggen van een lichter middel hetzelfde doel kan worden bereikt als met bewaring. Zo kan eiser met een meldplicht worden geplaatst in een vrijheidsbeperkende locatie en kan op die manier toezicht op eiser worden gehouden. Dit is een minder ingrijpend middel en dit verdient de voorkeur.
Oordeel van de rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank stelt vast dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige periode drie vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en drie keer schriftelijk op de lp-aanvraag heeft gerappelleerd. Uit het laatste vertrekgesprek van 27 november 2025 blijkt dat de Algerijnse autoriteiten hebben toegezegd een lp voor eiser te verstrekken. De nationaliteit van eiser is op 22 november 2025 door de Algerijnse autoriteiten bevestigd, waarna de minister op 1 december 2025 een vluchtaanvraag heeft verzonden. Deze is op dezelfde dag akkoord bevonden en staat gepland voor vertrek op 29 december 2025. Dat een eerdere vlucht geen doorgang kon vinden, was het gevolg van capaciteitsgebrek op de luchthaven van Brussel, waar een tussenlanding moet worden gemaakt. Anders dan eiser stelt, is de minister daarin niet afhankelijk van de Belgische autoriteiten. De minister is in het regelen van de vlucht wel afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten, de Koninklijke Marechaussee en de Dienst Terugkeer en Vertrek. De rechtbank volgt daarom de minister dat dit de nodige voorbereiding vergt. De rechtbank vindt het voorgaande voldoende voortvarend.
De rechtbank volgt eiser daarnaast niet in stelling dat de reservering van de vlucht met vertrek op 29 december 2025 geen zicht op uitzetting oplevert. Zoals door de minister op de zitting terecht is opgemerkt, gaat het hier om een onzekere toekomstige gebeurtenis. Iedere vlucht kan namelijk om allerlei redenen geannuleerd worden. Op dit moment is er geen aanleiding voor het vermoeden dat dit zal gebeuren.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft geen redenen naar voren gebracht waarin de minister hier aanleiding voor had moeten zien. De enkele stelling dat een meldplicht van een vrijheidsbeperkende locatie volstaat, is daarvoor onvoldoende.
Over de presentatie stelt de rechtbank vast dat eiser in het vertrekgesprek van 26 november 2025 heeft aangegeven dit niet te willen. Uit het vertrekgesprek van 27 november 2025 blijkt dat eiser zich heeft bedacht en toch gepresenteerd wil worden. De rechtbank volgt de minister in de stelling dat zij in deze kwestie afhankelijk zijn van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten en dat deze hebben aangegeven dat een presentatie niet meer mogelijk is wanneer daar eenmaal vanaf is gezien.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.