RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55756
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [V-nummer] ,
mede namens haar minderjarige kind
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiseres, omdat eiseres internationale bescherming heeft op Cyprus. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 november 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 omdat eiseres op Cyprus internationale bescherming heeft. Uit Eurodac en de verklaringen van eiseres blijkt dat zij sinds 24 juni 2023 internationale bescherming heeft op Cyprus. De minister stelt dat eiseres, gelet op haar internationale beschermingsstatus op Cyprus, een zodanige band met Cyprus heeft dat het redelijk is dat zij daarheen terugkeert. Volgens de minister heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Cyprus een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Beroepsgronden
4. Eiseres stelt dat zij bij terugkeer naar Cyprus een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Zij zal in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht dreigen te komen. Eiseres verwijst naar informatie over de algemene situatie van statushouders op Cyprus in het Country Report over Cyprus van Aida, Cyprus Refugee Council en ECRE van april 2025. Uit dit rapport blijkt dat statushouders hindernissen hebben bij het vinden van werk. Na statusverlening zijn statushouders aangewezen op bijstand, maar de behandeling van een aanvraag om bijstand duurde wel twaalf maanden of langer en dit is in 2024 verkort tot zes maanden. Een voorschot, als dit al verleend wordt, is niet voldoende om van te leven. De lange duur van behandeling van bijstandsaanvragen kan in sommige gevallen tot dakloosheid leiden. Ook als steun wordt gevraagd voor bijstand in de huur is de behandeling vertraagd. Gelet ook op haar persoonlijke ervaringen op Cyprus verwacht eiseres bij terugkeer geen bijstand, geen huisvesting of opvang, geen werk en geen dan wel slechts beperkte toegang tot medische voorzieningen te kunnen krijgen. Eiseres stelt dan ook dat Cyprus niet als een veilig derde land kan worden beschouwd, dat niet kan worden gesproken van een band met Cyprus en dat de minister gehouden is om haar asielaanvraag inhoudelijk te behandelen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de asielaanvraag van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen en dat de motivering van de minister in het bestreden besluit deugdelijk is. De rechtbank zal dat hierna uitleggen.
Juridisch kader
6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.
Op grond van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vw indien naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld: er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw.
Op grond van artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vw indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.
Bestaat er bij terugkeer naar Cyprus voor eiseres een reëel risico op ernstige schade?
7. De rechtbank overweegt dat gelet op de gronden van beroep en de toelichting door de gemachtigde van eiseres ter zitting, enkel in geschil is of bij terugkeer naar Cyprus voor eiseres een risico op ernstige schade bestaat als bedoeld in overweging 6.1.
De rechtbank stelt voorop dat in beginsel het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Uitgangspunt is dat de minister er in beginsel van mag uitgaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat van de Europese Unie waar hij of zij internationale bescherming geniet in overeenstemming is met de bepalingen van, voor zover van belang, het EVRM en het Handvest. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat eiseres en haar kind als statushouders op Cyprus niet in een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige situatie terecht zullen komen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om concrete aanwijzingen aan te dragen waaruit blijkt zij bij terugkeer naar Cyprus, als gevolg van onverschilligheid van de Cypriotische autoriteiten, buiten haar eigen wil en keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor zij niet kan voorzien in haar belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor haar lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of haar leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden. Deze ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ volgt uit het arrest Ibrahim van 19 maart 2019 van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij vanwege de algemene situatie voor statushouders bij terugkeer naar Cyprus terecht komt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie verwezen naar het Country Report. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de situatie voor statushouders op Cyprus moeilijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich echter terecht op het standpunt gesteld dat uit het Country Report niet blijkt dat de situatie voor statushouders op Cyprus zo ernstig is dat er sprake is van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De minister heeft er terecht op gewezen dat statushouders dezelfde rechten hebben als Cypriotische burgers, dat zij toegang hebben tot het nationale sociale zekerheidsstelsel en om bijstand kunnen vragen en dat zij zich bij de (hogere) autoriteiten van Cyprus kunnen beklagen als zij niet (volledig) krijgen waar zij recht op hebben.
Verder heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank ook niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar persoonlijke situatie een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Cyprus. Eiseres heeft erop gewezen dat zij een alleenstaande ouder is. Zij heeft verklaard dat zij op Cyprus geen bijstand kreeg en de haar toegewezen woning heeft moeten verlaten omdat zij de huur niet kon betalen. De rechtbank overweegt dat de minister erop heeft mogen wijzen dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat de autoriteiten van Cyprus haar niet wilden helpen. Zij heeft een huis toegewezen gekregen en zij heeft voedsel gekregen. Verder hebben de autoriteiten haar aanvraag voor bijstand in behandeling genomen. Hierbij heeft de minister erop mogen wijzen dat niet is gebleken dat eiseres een voorschot heeft gevraagd. Ook heeft zij geen hulp ingeroepen bij (hogere) autoriteiten op Cyprus bij het verkrijgen van bijstand en hulp bij het vinden van een woning en werk. Dit mag wel van eiseres worden verwacht. Nu eiseres dit niet heeft gedaan, kan niet worden geconcludeerd dat er bij terugkeer naar Cyprus een risico is op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest door het handelen of nalaten van de autoriteiten van Cyprus. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres internationale bescherming heeft op Cyprus. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J.C. ten Hoopen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.