Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaken tussen
[naam eiseres] , eiseres,
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 24/634 en AWB 25/3543
gemachtigde: [persoon A] ,
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen.
1. Deze uitspraak gaat over de buiten behandelingstelling van de namens eiseres ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘medische behandeling’. Deze uitspraak gaat ook over de namens eiseres ingediende aanvraag tot afgifte van een document waaruit blijkt dat zij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 mei 2018 in de zaak K.A., ECLI:EU:C:2017:821 (het K.A.-arrest). Eiseres is het niet met deze buitenbehandelingstelling en afwijzing eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buitenbehandelingstelling en de afwijzing van de aanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zowel de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van eiseres als de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand kunnen blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3 staan de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het einde van deze uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
Namens eiseres is op 28 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met het verblijfsdoel ‘medische behandeling’. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit I van 30 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit I van 9 januari 2024 is verweerder bij de buitenbehandeling van de aanvraag gebleven. Namens eiseres is op 13 februari 2024 ook een aanvraag ingediend tot afgifte van een document waaruit blijkt dat zij een afgeleid verblijfsrecht heeft van haar meerderjarige dochter [persoon B] op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de VWEU en het K.A.-arrest. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit II van 13 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit II van 24 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van deze aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I welke geregistreerd staat onder procedurenummer 24/634. Eiseres heeft ook beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II welke geregistreerd staat onder procedurenummer 25/3543.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 december 2025, samen maar niet gevoegd, op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook is gemachtigde van verweerder ter zitting verschenen.
(Totstandkoming van) de bestreden besluiten
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1952 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiseres stelt drie kinderen te hebben, twee zonen (waarvan er één zou zijn overleden) en een dochter [persoon B] die in Nederland woont. Eiseres is op 18 oktober 2022 Nederland ingereisd met een visum voor kort verblijf en is daarna gebleven. Namens eiseres is 28 juni 2023 de nu voorliggende aanvraag voor een verblijfsvergunning op medische gronden ingediend en op 13 februari 2024 heeft zij de nu voorliggende aanvraag voor een van haar dochter [persoon B] afgeleid verblijfsrecht ingediend.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres voor verblijf op medische gronden op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de namens eiseres ingediende aanvraag niet compleet was. Bij brief van 1 augustus 2023 is eiseres in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van twee weken de aanvraag aan te vullen met de relevante medische gegevens. Eiseres heeft de gevraagde bewijsmiddelen niet binnen de gestelde termijn opgestuurd. Van een geldige reden voor het niet aanleveren van de benodigde bewijsmiddelen is niet gebleken. Met het bestreden besluit I is verweerder bij deze buitenbehandeling gebleven.
Aan het bestreden besluit II legt verweerder ten grondslag dat eiseres geen beroep kan doen op het K.A.-arrest, omdat [persoon B] niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Ook is er geen sprake van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in dat arrest waarop een familielid van een meerderjarige burger van de EU een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU kan verkrijgen. De afwijzing is niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, is van horen in bezwaar afgezien, aldus verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
AWB 24/634
4. Eiseres betoogt dat verweerder haar medische verblijfsaanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld, omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld om haar aanvraag aan te vullen met de benodigde documenten.
Dit betoog faalt. Uit het dossier blijkt dat eiseres bij brief van 1 augustus 2023 in de gelegenheid is gesteld om de benodigde stukken alsnog in te dienen. Voor zover eiseres stelt deze brief niet te hebben ontvangen, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiseres zelf een kopie van deze brief bij haar bezwaarschrift van 19 september 2023 heeft toegevoegd en dat daaruit dus volgt dat zij in het bezit was van deze brief en deze dus wel heeft ontvangen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde gegevens, waaronder het formulier ‘Bijlage Toestemmingsverklaring medische gegevens’, het formulier ‘Bijlage Bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’ en de relevante medische gegevens in reactie op de vragen van het Bureau Medische Advisering (BMA), niet waren overgelegd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft besloten om de aanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 4:5, onder c, van de Awb.
De omstandigheid dat eiseres in bezwaar nog wat stukken heeft ingediend, kan aan het voorgaande niet afdoen. Hoewel uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 7 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:7104 blijkt dat op grond van artikel 7:11 van de Awb in bezwaar een heroverweging plaatsvindt van het op de aanvraag genomen besluit en dat het bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om na een juiste toepassing van artikel 4:5 van de Awb de alsnog overgelegde gegevens en bescheiden in de heroverweging te betrekken en alsnog een inhoudelijk besluit op de aanvraag te nemen, is het bestuur niet gehouden de ontbrekende gegevens en bescheiden die na het nemen van het besluit op de aanvraag alsnog zijn overgelegd, bij deze heroverweging te betrekken. Bovendien heeft eiseres in bezwaar niet de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde stukken, namelijk het formulier ‘Bijlage Toestemmingsverklaring medische gegevens’, het formulier ‘Bijlage Bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’ en de relevante medische gegevens in reactie op de vragen van het BMA, alsnog ingediend.
AWB 25/3543
5. Verweerder heeft zich in het primaire besluit II en het bestreden besluit II gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor het gevraagde document en evenmin voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning. Eiseres heeft in haar gronden van beroep (vrijwel woordelijk) herhaald wat zij reeds in haar gronden van bezwaar (en bij haar aanvraag) had aangevoerd. Een dergelijke herhaling in de gronden van beroep zonder nader te motiveren waarom het bestreden besluit II, waarin op alle gronden die in de gronden van bezwaar zijn aangevoerd gemotiveerd is ingegaan, niet in stand kan blijven, is onvoldoende om tot gegrondverklaring van het beroep te komen. Een dergelijke herhaling is evenmin voldoende om het standpunt van verweerder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU voldoende gemotiveerd betwist te achten. Datzelfde geldt voor het standpunt van verweerder dat afwijzing van de aanvraag van eiseres niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Om die reden kan hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat eiseres haar stellingen in de gronden van beroep dat geen rekening is gehouden met hetgeen door eiseres naar voren is gebracht in het verzoek tot verblijf en dat geen rekening is gehouden met artikel 8 van het EVRM, niet heeft toegelicht. Ook heeft eiseres tot op heden niet de benodigde documenten overgelegd ter onderbouwing van het standpunt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het K.A.-arrest of van het standpunt dat sprake is van een beschermenswaardige familierechtelijke relatie met haar dochter zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Zo is bijvoorbeeld de gestelde financiële afhankelijk niet onderbouwd en is ook geen diagnose van de medische problemen van eiseres overgelegd. Verder is niet gebleken dat eiseres onder behandeling staat van een zorgverlener. De enkele stelling van eiseres dat zij vroeger Nederlands staatsburger is geweest, kan aan het voorgaande niet afdoen. De rechtbank merkt in dit kader allereerst op dat eiseres niet heeft toegelicht hoe deze stelling tot gegrondverklaring van het beroep zou moeten leiden. Daarnaast blijkt uit het bestreden besluit II dat verweerder zich in de belangenafweging in het kader van privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres veel sterkere banden heeft met Suriname omdat zij daar tot haar 70ste heeft gewoond en dat zij nog maar kort in Nederland is. Eiseres heeft dit standpunt van verweerder niet betwist en heeft ter zitting bovendien gesteld dat zij niet in aanmerking komt voor de tijdelijke Verblijfsregeling Surinaamse oud-Nederlanders omdat zij daarvoor te kort in Nederland is. De rechtbank ziet ook daarom in hetgeen eiseres heeft aangevoerd over haar Nederlanderschap geen reden om het beroep gegrond te verklaren.
6. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord.
Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het besluit tot afwijzing is vervat. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.1) volgt dat de plicht om te horen in bezwaar afhankelijk is van wat de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd. De vuistregel hierbij is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te krijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
In het primaire besluit II heeft verweerder gemotiveerd waarom eiseres geen aanspraak maakt op het gevraagde document of op een ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning. Tevens heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres in deze procedure nauwelijks documenten heeft overgelegd, terwijl die wel nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. In bezwaar heeft eiseres niet alsnog de benodigde documenten overgelegd. Eiseres heeft ook niet toegelicht waarom zij niet aan stukken kan komen. Hieruit blijkt niet dat zij inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen. Het bezwaar is bovendien inhoudelijk summier en een herhaling van wat in de aanvraag ook al was aangevoerd. Daarnaast heeft eiseres in bezwaar weliswaar gesteld dat zij wenst te worden gehoord, maar zij heeft niet toegelicht waarom.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan in het primaire besluit II is vermeld. Verweerder kon daarom van het horen in bezwaar afzien. De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006 kan niet tot een ander oordeel leiden omdat geen sprake is van een vergelijkbare zaak. Zo waren in die zaak, anders dan in deze zaak, bijvoorbeeld veel stukken overgelegd ter onderbouwing van de medische problematiek. De onder 6. vermelde beroepsgrond faalt.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de buitenbehandelingstelling van de medische verblijfsaanvraag als ook de afwijzing van de aanvraag van eiseres op grond van artikel 20 van het VWEU in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers-Heins, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 17 december 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.