RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.21218, NL25.28711 en NL25.28712
[naam] , V-nummer [nummer] , eiseres,
en hun minderjarige kinderen:
[naam] , V-nummer [nummer] ,
[naam] , V-nummer [nummer] .
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. E. Geçer).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers, als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft op 8 mei 2025 een beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van en besluit. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer NL25.21218. De minister heeft met de afzonderlijke bestreden besluiten van 5 juni 2025 de aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Deze beroepen staan bekend onder de zaaknummers NL25.28711 en NL25.28712.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De ontvankelijkheid van de beroepen van eiser.
3. Eiser heeft op 8 mei 2025 een beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer NL25.21218. Daarnaast heeft eiser op 30 juni 2025, nadat de minister een besluit had genomen, nog een beroep ingediend. Dit beroep staat bekend onder kenmerk NL25.28711.
4. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
5. Niet in geschil is dat de minister niet tijdig heeft beslist op de door eiser ingediende aanvraag van 31 oktober 2022. Ook is niet in geschil dat de minister niet alsnog heeft beslist binnen de bij uitspraak van 30 mei 2024 door de rechtbank gegeven termijn.
6. Op 5 juni 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag van eiser. Gelet hierop is er voor de rechtbank geen aanleiding om in overeenstemming met artikel 8:55d van de Awb te bepalen dat de minister alsnog een besluit op de aanvraag dient te nemen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.
7. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit van 5 juni 2025. Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid van de Awb.
8. Hieruit volgt dat het beroep, met zaaknummer NL25.28711, dat door eiser is ingediend na het besluit van 5 juni 2025 geen doel dient en daarom ten onrechte is ingediend. Dit beroep zal de rechtbank dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
9. De rechtbank zal hieronder, zoals ook besproken op de zitting, de inhoudelijke geschillen bespreken ten aanzien van de beschikking van eiser onder het beroep met zaaknummer NL25.21218.
De asielrelazen
10. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij heeft deelgenomen aan een drietal demonstraties. Na de eerste demonstratie heeft hij een verklaring ondertekend dat hij niet meer zou meedoen met demonstraties, maar later heeft hij toch weer deelgenomen. Twee dagen na de laatste demonstratie is eiser naar Nederland vertrokken met zijn gezin. Eiser heeft verklaard dat er een inval bij hen thuis is geweest. Ook heeft eiser verklaard afvallig te zijn en ook in Nederland te zijn doorgegaan met demonstreren.
Eiseres heeft verklaard dat zij is bekeerd tot het christendom, waarbij zij regelmatig huiskerken bezocht. Zij heeft, evenals eiser, verklaard dat er een inval bij hen thuis in Iran heeft plaatsgevonden op het moment dat zij al in Nederland waren. Eiseres weet niet de precieze reden van de inval. De reden kan te maken hebben met de deelname van haar echtgenoot aan de demonstraties of met de bekering tot het christendom. De huiskerk is namelijk in dezelfde periode ook ontdekt.
De bestreden besluiten
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven: 1) de identiteit, nationaliteit en herkomst, 2) de afvalligheid en 3) de deelname aan demonstraties en de problemen hierdoor. Al deze asielmotieven vindt de minister geloofwaardig. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven: 1) de identiteit, de nationaliteit en herkomst en 2) de problemen vanwege het bezoeken van huiskerken als bekeerde christen. Het eerste asielmotief vindt de minister geloofwaardig, het tweede niet.
Inval in het huis van eisers
De minister is in de besluiten van eisers ingegaan op de vraag of de inval in hun huis geloofwaardig is. Er is in het voornemen en het besluit geen oordeel geveld over de geloofwaardigheid van de inval. Op basis van de verklaringen van eiser is enkel geconstateerd dat de gestelde huiszoeking niet met zijn deelname aan demonstraties te maken heeft. Over de verdere geloofwaardigheid van de huiszoeking wordt geen uitspraak gedaan, aldus de minister.
Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de bekering van eiseres tot het christendom niet geloofwaardig wordt geacht. Dit doet op voorhand afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen over de inval in de huiskerk, de aard van de huiszoeking bij eiseres thuis en de spullen die zouden zijn meegenomen.
Eisers bestrijden het standpunt van de minister.
Wat oordeelt de rechtbank?
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank op de zitting gevraagd of de minister de inval in het huis van eisers wel of niet geloofwaardig acht. De minister heeft erkend dat er geen oordeel is gegeven over de geloofwaardigheid van de inval in het huis van eisers. Ook op de zitting heeft de minister zich hier niet alsnog over uitgelaten. Desgevraagd heeft de minister bevestigd dat dit betekent dat aan het besluit een motiveringsgebrek kleeft. Omdat de minister vervolgens heeft aangegeven dat een oordeel over de inval in het huis doorwerkt in de beoordeling van de andere aspecten van deze zaken, komen de besluiten voor vernietiging in aanmerking. Anders dan door de minister gevraagd ziet de rechtbank geen aanleiding om de behandeling van de beroepen aan te houden en de minister in de gelegenheid te stellen om aanvullende besluiten te nemen.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond en behoeven de overige door eisers aangevoerde gronden geen verdere bespreking. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De minister zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van dat wat hiervoor is overwogen.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 3.628,- (2 punten voor het indienen van een beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekend gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.