ECLI:NL:RBDHA:2025:24560

ECLI:NL:RBDHA:2025:24560, Rechtbank Den Haag, 19-12-2025, NL23.27100

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-12-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer NL23.27100
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

tijdelijke bescherming, Oekraïne, niet-ontvankelijk en ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.27100

(gemachtigde: mr. C.C. Smit),

en

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) en de oplegging van een terugkeerbesluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Het beroep van eiser maakt dat niet anders. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser bij besluit van 30 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende bescherming per 4 september 2023. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Op 1 februari 2024 heeft de minister het besluit van 30 augustus 2023 ingetrokken. Eiser heeft zijn beroep echter gehandhaafd.

Op 21 augustus 2025 heeft de minister een terugkeerbesluit genomen waarin eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Hiertegen heeft eiser op 29 augustus 2025 aanvullende gronden gericht.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen

3. Eiser komt uit Pakistan. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 2 juli 2024 afgewezen als ongegrond. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 30 augustus 2023 bekendgemaakt. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep echter gehandhaafd.

Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.

Op 21 augustus 2025 heeft de minister een terugkeerbesluit genomen waarin eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd.

Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming per 4 september 2023

4. De minister heeft het besluit van 30 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiser heeft ook geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2023 niet-ontvankelijk.

Beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 augustus 2025

Kwalificatie van het besluit van 21 augustus 2025

5. Eiser heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het besluit van 30 augustus 2023, welk besluit later is ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit van 21 augustus 2025 worden beschouwd als nader besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat voldoende sprake is van samenhang tussen de twee terugkeerbesluiten. Het beroep van eiser ziet daarom ook op het besluit van 21 augustus 2025. De rechtbank zal hierna de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden bespreken.

De beroepsgronden

6. Eiser betoogt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst. Daarnaast verblijft en werkt hij al meer dan drie jaar in Nederland en hij wil graag zijn leven hier verder opbouwen.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. De beroepsgronden leiden niet tot een ander oordeel. De minister is in het bestreden besluit ingegaan op de genoemde omstandigheden, namelijk dat eiser in Nederland werkt en bijdraagt aan de economie en dat hij in Nederland een leven heeft opgebouwd, en is van oordeel dat dit niet in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft in beroep niet uitgelegd waarom de motivering in het besluit van 30 augustus 2025 op dit punt onjuist is, behoudens de herhaling van de omstandigheden. Dit betreft geen gemotiveerde betwisting van het besluit. Wat betreft eisers betoog dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst, overweegt de rechtbank dat eiser een asielprocedure heeft doorlopen. In die procedure zijn eisers persoonlijke omstandigheden onderzocht en is beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning. Eiser heeft niet onderbouwd waarom zijn situatie nu aanleiding zou moeten geven voor een ander oordeel. Gelet op het voorgaande slaagt eisers beroep dan ook niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 30 augustus 2023, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 21 augustus 2025, is ongegrond.

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907 bestaande uit een punt voor het beroep tegen het ingetrokken besluit van 30 augustus 2023, met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2023 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2025 ongegrond;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Voors, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.S. Gaastra

Griffier

  • mr. B. Voors

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?