RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1],
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32143
en
[eiseres 2] , v-nummer: [nummer 2],
eiseressen
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseressen om heroverweging van de besluiten van 2 oktober 2019, 18 november 2019, 15 juni 2020 en 17 maart 2021. In die besluiten is de eerdere aanvraag om toepassing van de Afsluitingsrege1ing Langdurig Verb1ijvende Kinderen afgewezen. Eiseressen zijn het niet eens met de afwijzing van hun verzoek. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de eerdere afwijzing niet heeft hoeven heroverwegen. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die aan toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de weg staan (zie onder 6). Ook is toepassing van dit artikel ook niet evident onredelijk (zie onder 7). De rechtbank laat het besluit ondanks dat eiseressen ten onrechte in bezwaar niet gehoord zijn in stand (zie onder 8). Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseressen hebben een verzoek om heroverweging van het besluit van 17 maart 2021 ingediend. De minister heeft dit verzoek met het besluit van 7 december 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juli 2024 op het bezwaar van eiseressen is de minister bij de afwijzing van dit verzoek gebleven.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 13 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseressen en de gemachtigde van de minister. Op de zitting hebben eiseressen de beroepsgrond dat het besluit afkomstig is van een onbevoegd bewindspersoon laten vallen.
De rechtbank is zich ervan bewust dat deze uitspraak te lang op zich heeft laten wachten en biedt haar excuses aan voor de vertraging.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader bij een verzoek om heroverweging
3. Bij een verzoek om heroverweging van een besluit moet de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermelden. Bij een dergelijke aanvraag geldt als het uitgangspunt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo’n verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.
Het bestuursorgaan kan er met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om heroverweging af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen.
De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende aanvoert wel tot het oordeel komen dat de afwijzing van het verzoek om heroverweging evident onredelijk is. Voor de beoordeling of de afwijzing van een verzoek om heroverweging evident onredelijk is, is als eerste van belang dat het eerder afgewezen besluit onmiskenbaar onjuist is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om tot onmiskenbare onjuistheid van het oorspronkelijke besluit te concluderen. Als het onderzoek vervolgens leidt tot de conclusie dat het besluit onmiskenbaar onjuist is, dient een belangenafweging te volgen. De belangenafweging kan in het voordeel van de rechtzoekende uitvallen als sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden. Ook is van belang of de rechtzoekende rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen het oorspronkelijke onmiskenbaar onjuiste besluit.
Het beleid over de toepassing van de Afsluitregeling
4. Uit de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat de minister een vergunning op basis van de Afsluitregeling verleent aan de vreemdeling die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DTenV, COA of AVIM. De minister verleent de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid op het moment van de beoordeling sprake is van de contra-indicatie dat de vreemdeling niet beschikbaar is geweest in het kader van vertrek. Uit de door eiser naar voren gebrachte uitspraken en kamerbrief volgt, kortgezegd, dat de vreemdeling in beeld is zolang hij een verblijfsrechtelijke procedure voert. Hij kan na het einde van de verblijfsrechtelijke procedure door eigen handelen uit beeld raken. Als van dergelijk handelen geen sprake is, dan zal de vreemdeling binnen drie jaar en drie maanden na het einde van de verblijfsrechtelijke procedure contact moeten hebben gezocht met een van de bedoelde instanties om in beeld te blijven.
De eerdere afwijzing
5. Eiseressen hebben op 6 februari 2019 een aanvraag ingediend op grond van de Afsluitingsrege1ing Langdurig Verb1ijvende Kinderen. Bij besluit van 2 oktober 2019, aangevuld op 18 november 2019, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid deze aanvraag afgewezen, omdat eiseressen niet zouden voldoen aan de voorwaarde dat zij zich niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden aan het rijkstoezicht onttrokken mogen hebben. Bij besluit van 15 juni 2020 heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen die afwijzing ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.
Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft in haar uitspraak van 12 november 2020, uitdrukkelijk geoordeeld dat eiseressen niet hebben voldaan aan de zonet genoemde voorwaarde van de Afsluitingsregeling. In die uitspraak heeft de rechtbank op andere gronden het besluit van 15 juni 2020 vernietigd. Na een nieuw besluit op bezwaar van 17 maart 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het beroep daartegen op 7 september 2021 ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen die uitspraak is op 6 oktober 2021 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ongegrond verklaard.
Op 25 juli 2022 hebben eiseressen verzocht om heroverweging van de afsluitende besluiten inzake de Afsluitingsregeling.
Is sprake van nieuwe feiten of omstandigheden?
6. Eiseressen betogen dat de minister niet had mogen volstaan met de toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, maar een inhoudelijk beoordeling van het verzoek om heroverweging had moeten verrichten. Zij betogen in de eerste plaats dat sprake is van nieuw gebleken feiten, namelijk de uitspraak van de zittingsplaats 's-Hertogenbosch waarin de Afdelingsuitspraak van 14 maart 2015 en de Kamerbrief van 27 maart 2015 worden besproken en uitgelegd.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseressen geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren hebben gebracht. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat een rechterlijke uitspraak niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit, een veranderende omstandigheid of wijziging van het recht. De zaken waar eiseressen op wijzen kunnen dus niet worden aangemerkt als nieuw feit. Ook kan de kamerbrief van 27 maart 2015 niet worden aangemerkt als nieuw feit omdat de inhoud daarvan tijdens het indienen van onderhavige aanvraag al bekend was.
Is toepassing van artikel 4.6, tweede lid, van de Awb in dit geval evident onredelijk?
7. Eiseressen betogen ook dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan met de bevoegdheid om een besluit te nemen ook de impliciete bevoegdheid heeft om dat besluit te heroverwegen. De minister dient bij elke beslissing rekening te houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De minister heeft in deze zaak gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door geen inhoudelijke beoordeling te maken. De minister heeft daarnaast in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door de door eiseressen naar voren gebrachte andere zaken buiten beschouwing te laten. Deze zaken vertonen namelijk wel relevante overeenkomsten met onderhavige zaak, zoals de juridische en feitelijke aspecten en de kern van het geschil. De minister zal deze zaak inhoudelijk moeten beoordelen om te waarborgen dat het besluit eerlijk en rechtvaardig is. Hoewel de minister zich op het standpunt stelt dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden, zijn er wel degelijk nieuwe relevante ontwikkelingen die een heroverweging rechtvaardigen. De strikte toepassing van artikel 4:6 van de Awb is in dit geval evident onredelijk en disproportioneel.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Wil er sprake zijn van een evidente onredelijke toepassing van artikel 4:6 van de Awb, dan moet er zoals onder 3.1 is weergegeven sprake zijn van een onmiskenbaar onjuist besluit en moet als daar sprake van is, een belangenafweging volgen. Eiseressen hebben een punt: gelet op de eerdergenoemde uitspraken uit 2022 en 2015 en de kamerbrief, is het besluit van 17 maart 2021 onmiskenbaar onjuist. Uit deze stukken en uit het dossier volgt namelijk dat sprake is van een vergelijkbare situatie, omdat eiseressen ook voor afloop van de procedure in juni 2017 uit de opvang zijn vertrokken. De procedure van eiseressen is destijds geëindigd op 25 juli 2017. Daarnaast hebben zij in januari 2018, binnen de termijn van 3 jaar weer contact opgenomen met de IND.
Toch leidt dit er niet toe dat de afwijzing evident onredelijk is. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 12 november 2020 heeft de rechtbank namelijk de afwijzing op grond van de Afsluitingsregeling beoordeeld. Op andere gronden moest de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar nemen. Eiseressen, die destijds dezelfde gemachtigde hadden als nu, hebben geen hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak. Zij hebben evenmin in het beroep tegen het besluit van 17 maart 2021 gronden aangevoerd gericht tegen het afwijzen op grond van de Afsluitingsregeling. Eiseressen hadden de afwijzing van de aanvraag voor zover gebaseerd op de Afsluitingsregeling in hoger beroep kunnen aanvechten, maar hebben dat niet gedaan. Dit maakt dat de belangenafweging in het voordeel van de minister uitvalt.
Hadden eiseressen gehoord moeten worden?
8. Eiseressen betogen dat, omdat het bezwaar onderbouwd is met relevante juridische argumenten of feitelijke omstandigheden die nog niet eerder zijn beoordeeld, of die vragen oproepen over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, er sprake is van een niet kennelijk ongegrond bezwaar. Daarom hadden eiseressen gehoord moeten worden.
Deze beroepsgrond slaagt. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat er redelijkerwijs geen twijfel is over de vraag of het bezwaar van eiseressen kan leiden tot een ander standpunt dan in het besluit op het verzoek is opgenomen. De minister wijst er terecht op dat het horen als uitgangspunt geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarin een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Anders dan de minister hier stelt, is hier wel sprake van een individuele belangenafweging (zie onder 7.1.1).
Er is dus sprake van een gebrek. Toch leidt dit niet tot een gegrond beroep, want de rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren en het bestreden besluit in stand te laten. Eiseressen hebben namelijk in bezwaar en in beroep hun standpunten over de afwijzing van het verzoek om heroverweging naar voren kunnen brengen. Gezien het besluit op bezwaar en de beoordeling onder 7 is niet aannemelijk dat de minister anders het op verzoek zou hebben besloten indien eiseressen zouden zijn gehoord.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister het besluit van 17 maart 2021 niet heeft hoeven heroverwegen. Omdat de rechtbank het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft gepasseerd, moet de minister het griffierecht aan eiseressen vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1814,-, omdat de gemachtigde van eiseressen een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseressen moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1814,- aan proceskosten aan eiseressen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.