[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. W. van Lith).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit om zijn voertuig weg te slepen en in bewaring te stellen en de kosten hiervan bij eiser in rekening te brengen.
Verweerder heeft eiser bij besluit van 10 oktober 2024 op de hoogte gesteld dat zijn voertuig is weggesleept en in bewaring is genomen. De kosten hiervan zijn bij eiser in rekening gebracht. Met het bestreden besluit van 19 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers auto stond op 7 oktober 2024 geparkeerd ter hoogte van de [adres] in Den Haag. Op die locatie gold van 7 oktober 2024 vanaf 7.00 uur tot en met 8 oktober 2024 17.00 uur een parkeerverbod. Dit verbod was aangegeven met een verkeersbord E4, voorzien van een onderbord. Uit de Kentekenlijst Parkeermaatregel (kentekenlijst) blijkt dat dit bord op 4 oktober 2024 op de locatie is geplaatst. Op de kentekenlijst is opgenomen welke voertuigen stonden geparkeerd op de plek waar het parkeerverbod zou gelden. Eisers voertuig is niet op die kentekenlijst opgenomen.
Verweerder heeft de auto van eiser op 7 oktober 2024 weggesleept en in bewaring genomen, omdat deze stond geparkeerd in overtreding met het verkeersverbod. De kosten hiervan zijn bij eiser in rekening gebracht. Dit besluit is op 10 oktober 2024 aan eiser uitgereikt.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt dat hij zijn auto al op 1 oktober 2024, dus voorafgaand aan het plaatsen van het parkeerverbod, heeft geparkeerd ter hoogte van [huisnummer 1] . Hij heeft zijn auto daarna niet meer gebruikt en was niet op de hoogte van het verbod. De kentekenlijst is opgemaakt rondom [huisnummer 2] . Volgens verweerder is dit een globale vermelding ter aanduiding van de locatie van het parkeerverbod. Eiser merkt hierover op dat zijn auto op zo’n 12 meter afstand van [huisnummer 2] stond geparkeerd. Het lijkt hem daarom aannemelijk dat zijn auto niet op de kentekenlijst stond, omdat hij geen belemmering zou vormen voor de geplande werkzaamheden ter hoogte van [huisnummer 2] . Eiser heeft foto’s overgelegd waarop de plek waar de werkzaamheden verricht zijn, namelijk ter hoogte van [huisnummer 2] , duidelijk te zien is. Hier is het asfalt vervangen door tegels.
Verweerder heeft eiser pas na drie dagen op de hoogte gebracht over het wegslepen van zijn auto. Eiser meent dat zij dit direct hadden moeten doen, zodat hij de mogelijkheid had gehad om zijn auto meteen op te halen. Eiser vindt het onterecht dat hij drie dagen stallingskosten moet betalen. Verweerder zegt in het bestreden besluit dat het noodzakelijk was om eisers auto weg te slepen en dat er geen tijd was om hem eerst te waarschuwen. Dit is niet onderbouwd. Eiser was thuis aan het werk en had zijn auto binnen een paar minuten weg kunnen halen.
Wat zijn de regels?
4. Op grond van artikel 170, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang die bestaat uit het overbrengen en in bewaring stellen van een op de weg staand voertuig indien dat op dat moment noodzakelijk was in verband met het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.
Op grond van artikel 172, eerste lid, van de Wvw worden tot de kosten, verbonden aan de oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 170, eerste lid, gerekend:
a. de kosten die verband houden met de overbrenging en bewaring;
b. de kosten die verband houden met de bekendmaking van de beschikking tot overbrenging en inbewaringstelling, en
c. de kosten van verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging.
Ingevolge artikel 24, eerste lid, sub d, onder 3, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (Rvv 1990) mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren op een parkeergelegenheid op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord is verboden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van eiser geparkeerd stond op een plek waar op dat moment een parkeerverbod gold. De vraag die partijen verdeeld houdt, is allereerst of de auto van eiser al geparkeerd stond, voordat de verkeersborden werden geplaatst. En vervolgens of verweerder de auto van eiser mocht wegslepen en de kosten hiervan bij eiser in rekening mocht brengen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de auto van eiser daar is geparkeerd, nadat de verkeersborden zijn geplaatst en dat het noodzakelijk was zijn auto weg te slepen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
6. Verweerder heeft toegelicht dat de verkeersborden op 4 oktober 2024 zijn geplaatst. Volgens de vaste werkwijze van verweerder is toen ook een kentekenlijst opgemaakt, waarop de kentekens zijn vermeld van alle voertuigen die op dat moment geparkeerd stonden tussen de verkeersborden E4. Het kenteken van eiser is niet vermeld op de kentekenlijst.
Eiser heeft de volledigheid van de kentekenlijst betwist. Hij heeft er daarbij op gewezen dat deze is opgesteld ter hoogte van [huisnummer 2] en dat hij geparkeerd stond bij [huisnummer 1] , zo’n 12 meter verder. Verweerder heeft over dit punt toegelicht dat de locatie ‘ter hoogte van [huisnummer 2] ’, een globale aanduiding is van het parkeerverbod. Bij het opstellen van de kentekenlijst wordt gekeken naar de geplaatste borden (het gebied waar het verbod geldt) en de voertuigen die daartussen geparkeerd staan. Al deze voertuigen worden genoteerd. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor zodanige twijfel aan de volledigheid van de kentekenlijst dat deze niet aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kan worden gelegd.
7. Voor zover eiser heeft betoogd dat het wegslepen van zijn auto niet noodzakelijk was omdat de werkzaamheden niet hebben plaatsgevonden op de plek waar zijn auto stond geparkeerd, overweegt de rechtbank als volgt.
Het tijdelijke parkeerverbod was, zoals verweerder heeft toegelicht, ingesteld voor de uitvoering van rioleringswerkzaamheden. De ruimte tussen de pijlen op de bebording was daarvoor nodig. Dat het noodzakelijk was de aangewezen weggedeelten daarvoor vrij te houden, acht de rechtbank aannemelijk. Ook als werkzaamheden niet precies op de plaats zijn verricht waar de auto geparkeerd stond, neemt dat niet weg dat voor de uitvoering van de werkzaamheden ook enige (manoeuvreer)ruimte nodig is voor het werkverkeer. Dat eiser stelt dat de werkzaamheden niet zijn verricht op de plaats waar hij stond geparkeerd en dat wegslepen dus niet noodzakelijk was, is tegen deze achtergrond onvoldoende om anders te concluderen. Overigens heeft ook de verbalisant belast met toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de RVV 1990 in het brondocument “Aankondiging van beschikking” opgeschreven dat hij zag dat de werkzaamheden niet voortgezet konden worden doordat het voertuig daar geparkeerd stond. Het betoog van eiser slaagt niet.
8. Dat verweerder eiser niet voorafgaand aan het wegslepen heeft gewaarschuwd, kan verweerder ook niet worden tegengeworpen. De hoogste bestuursrechter heeft eerder geoordeeld dat er geen verplichting voor verweerder bestaat om eigenaren van voertuigen te waarschuwen en dat verweerder geen termijn hoeft te stellen waarbinnen het wegslepen kan worden voorkomen. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder in redelijkheid de kosten van het wegslepen op eiser kon verhalen. Dat eiser pas na drie dagen op de hoogte is gesteld dat zijn auto is weggesleept, acht de rechtbank niet onredelijk.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het voertuig van eiser mocht wegslepen en de kosten hiervan voor zijn rekening mocht laten komen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.