RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Wat heeft de rechtbank in de uitspraak van 18 maart 2025 geoordeeld?
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22171
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N. Imminga)
en
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit op bezwaar van 18 april 2025. In dit besluit is de minister gebleven bij de afwijzing van eisers aanvraag om een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid bij zijn broer [naam 2] (referent).
2. De minister heeft eisers aanvraag van 28 januari 2022 met het besluit van 1 maart 2023 afgewezen. Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar was bij besluit op bezwaar van 25 oktober 2024 ongegrond verklaard. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, heeft in de uitspraak van 18 maart 2025 het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
3. De minister heeft op 18 april 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen en het bezwaar van eiser weer ongegrond verklaard. Het beroep van eiser is tegen dit besluit (bestreden besluit) gericht. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, referent en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.
4. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.
5. De rechtbank stelt eerst vast dat eiser en de minister geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van 18 maart 2025. Dit heeft gevolgen voor het toetsingskader in deze procedure.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in een uitspraak van 18 september 2025 het relevante toetsingskader, de zogenaamde Brummenrechtspraak, weergegeven. De Afdeling overweegt:
“ 3. De zogenoemde Brummenrechtspraak houdt in dat het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank, als in beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, tot gevolg heeft dat de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Nieuw gebleken feiten of omstandigheden kunnen een hernieuwde beoordeling van een eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgrond rechtvaardigen.
In het kader van hernieuwde besluitvorming na vernietiging van het oorspronkelijke besluit door de bestuursrechter, moet het bestuursorgaan als regel uitgaan van de actuele feitelijke situatie en het actueel geldende beleids- en rechtsregime. Daarbij is het bestuursorgaan ook gebonden aan de uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven corrigerende rechtsoordelen van de bestuursrechter, als het daartegen niet, niet tijdig of zonder succes in rechte is opgekomen. Niet alleen het bestuursorgaan, maar ook de bestuursrechter moet de binding van het bestuursorgaan aan een corrigerend rechtsoordeel respecteren.”
6. Vanwege het toetsingskader is van belang wat de rechtbank in de uitspraak van 18 maart 2025 heeft overwogen. De rechtbank heeft de relevante overwegingen hieronder opgenomen.
Het reguliere verblijfskader
7. De rechtbank heeft de toepassing van het reguliere verblijfskader door de minister al beoordeeld en geoordeeld dat eisers beroepsgrond daarover niet slaagt. De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 10 en 10.1 van die uitspraak als volgt geoordeeld:
“ (10) De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiser ziet op verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM en dat de minister in het bestreden besluit inhoudelijk heeft getoetst of eiser daarvoor in aanmerking komt. Dat de minister op grond van werkinstructie 2020/16 voorafgaand aan de toetsing aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst of eiser onder het nationaal regulier kader voor pleegkinderen valt, acht de rechtbank niet strijdig met eisers aanvraag. De rechtbank ziet bovendien niet in op welke manier deze (extra) toetsing nadelig zou kunnen zijn voor eiser.
(10.1) Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht geconcludeerd dat eiser niet aan de voorwaarden voor verblijf als pleegkind voldoet. Referent beschikt niet over voldoende inkomen, omdat hij een uitkering op grond van de Participatiewet krijgt. Referent voldoet ook niet aan de voorwaarde dat hij al in het land van herkomst eiser minimaal een jaar heeft verzorgd en opgevoed en in die periode de voogdij over eiser heeft gekregen. Referent heeft namelijk verklaard dat zijn vader rond mei 2015 is gearresteerd en dat hij zelf Syrië eind 2015 heeft verlaten. Bovendien blijkt uit het thematisch ambtsbericht Syrië van december 2019 dat het gezag van de juridische voogd kan komen te vervallen als deze vermist is of in detentie verblijft en dat de rechter dan een tijdelijke voogd kan aanwijzen. Uit deze informatie blijkt niet dat referent van rechtswege de voogdij over eiser zou hebben gekregen. Evenmin is gebleken dat de rechter referent al in 2019 als (tijdelijke) voogd heeft benoemd.”
Artikel 8 van het EVRM
8. De rechtbank heeft vervolgens de beroepsgronden van eiser die verband houden met artikel 8 van het EVRM beoordeeld. In rechtsoverweging 11 heeft de rechtbank in dat verband eerst expliciet overwogen dat de minister ter zitting heeft bevestigd dat zij eiser wat betreft de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent het voordeel van de twijfel geeft en heeft aangenomen dat tussen eiser en referent hechte persoonlijke banden bestaan als het gaat om de relatie als minderjarige en meerderjarige broers.
Vervolgens overweegt de rechtbank dat tussen partijen de uitkomst van de belangenafweging in geschil is en dat de beroepsgrond van eiser daarover slaagt. Daarover heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 14.1 tot en met 14.4 het volgende overwogen:
“ (14.1) De rechtbank stelt vast dat de minister in het primaire besluit expliciet heeft vermeld dat de doorslaggevende factoren in de belangenafweging zijn dat geen sprake is van familie- of gezinsleven, het belang van het kind in combinatie met het ouderlijk toezicht, het economisch belang en het restrictief toelatingsbeleid. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister familie- of gezinsleven wel aanwezig acht en dat dit in het voordeel van eiser weegt. Verder weegt volgens de minister het restrictief toelatingsbeleid minder zwaar in het nadeel dan gewoonlijk en gaat de minister er niet langer vanuit dat ouderlijk toezicht aanwezig is. De minister handhaaft in het bestreden besluit dus maar onverkort één factor van de vier factoren die in het primaire besluit doorslaggevend zijn geacht, namelijk het economisch belang. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de belangenafweging desondanks nog altijd in het nadeel van eiser is uitgevallen. Daarbij vindt de rechtbank ook van belang dat de minister in het bestreden besluit aanvullend in het voordeel van eiser heeft gewogen dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen en dat eiser geen chronische gezondheidsklachten heeft.
(14.2) Bovendien heeft de minister zich in het kader van het belang van het kind in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het in het belang van eiser is dat hij opvang heeft bij familie, omdat zijn ouders niet meer in beeld zijn. De minister stelt daarbij dat eiser tot voor kort samenwoonde met zijn zus en dat hij nu opvang heeft bij familie. Uit de overgelegde verklaring van deze zus blijkt echter dat zij inmiddels getrouwd is, bij de familie van haar man in Homs woont en niet voor eiser kan zorgen. Bovendien heeft referent verklaard dat de ‘oom en tante’ waar hij en eiser verbleven geen familieleden zijn, maar een vroegere buurvrouw en haar man. Gelet op deze verklaringen heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd welke rol het belang van eiser om bij familieleden te verblijven in de belangenafweging speelt, hoeveel gewicht de minister aan dit belang toekent en waarom het belang van eiser om bij referent te verblijven minder zwaar zou wegen. De minister heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van het kind niet wordt geschaad door het bestreden besluit.
(14.3) Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom in het kader van de binding met het land van herkomst eveneens in de belangenafweging is betrokken dat eiser wordt opgevangen bij familie en dat er twee zussen in Syrië wonen. Uit de – door de minister niet weersproken – verklaringen van referent blijkt immers dat de ‘oom en tante’ geen familieleden zijn en dat nog maar één zus in Syrië verblijft. Vervolgens weegt de minister eveneens in het nadeel van eiser dat er binding is met een ander land, omdat zijn zus in Zweden woont en daar ook familie- of gezinsleven mogelijk zou kunnen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat familieleven bij de zus in Zweden mogelijk zou kunnen zijn en waarom in dat kader de binding met een ander land in het nadeel van eiser is gewogen. Referent heeft namelijk verklaard dat deze zus vlak na het overlijden van de moeder in 2013 is getrouwd en uit huis is vertrokken. Bovendien blijkt uit haar verblijfskaart dat zij in ieder geval al vanaf 2017 in Zweden verblijft. Verder is eiser nooit in Zweden geweest, spreekt hij de taal niet en kent de gebruiken en cultuur niet.
(14.4) Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister in de belangenafweging onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd welk gewicht aan de verschillende belangen is toegekend, waarom het belang van het kind niet door het bestreden besluit wordt geschaad en waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser is uitgevallen.”
Onder het kopje ‘Conclusie en gevolgen’ heeft de rechtbank uitdrukkelijk overwogen dat het aan de minister is om de belangenafweging opnieuw te verrichten.
Het bestreden besluit en de beroepsgronden van eiser
Het reguliere verblijfskader
9. In het bestreden besluit heeft de minister weer een standpunt ingenomen over het reguliere verblijfskader. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het nationaal regulier kader voor (familie)pleegkinderenbeleid. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak van 18 maart 2025 hierover al uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een rechterlijk oordeel is gegeven; zie in deze uitspraak onder rechtsoverweging 7. Eiser heeft desgevraagd op zitting bevestigd dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en dat zijn beroepsgronden niet tegen dit onderdeel zijn gericht. Dit onderdeel van het bestreden besluit valt daarmee buiten de omvang van het onderhavige geding.
Artikel 8 van het EVRM
10. Eisers beroepsgronden houden derhalve verband met de beoordeling van de minister van eisers aanvraag om een mvv op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser voert aan dat de minister zich bij de beoordeling hiervan niet gehouden heeft aan de uitspraak van 18 maart 2025 en dat de belangenafweging van de minister daarom weer niet deugdelijk.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
11. In de uitspraak van 18 maart 2025 heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat de minister eiser wat betreft de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent het voordeel van de twijfel geeft en aanneemt dat tussen eiser en referent hechte persoonlijke banden bestaan als het gaat om de relatie als minderjarige en meerderjarige broers.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit echter weer de identiteit van eiser en van zijn ouders alsmede de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent heeft beoordeeld. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de identiteit van de ouders niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt en daardoor evenmin de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn ouders en referent en zijn ouders. Hoewel vervolgens in de integrale beoordeling wordt aangegeven dat eiser het voordeel van de twijfel krijgt, wordt vervolgens door de minister ook weer beoordeeld of er sprake is van hechte persoonlijke banden. De minister concludeert dat er slechts in beperkte mate sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent en dat de omgang tussen eiser en referent de normale omgang niet overstijgt. De rechtbank is van oordeel dat deze beoordeling en dit standpunt van de minister niet overeenkomt met het uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 18 maart 2025 dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent. Dit betekent dat het besluit op dit onderdeel niet in overeenstemming is met de uitspraak van 18 maart 2025 en de motivering in zoverre niet deugdelijk is.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat enkele in de belangenafweging betrokken en gewogen belangen evenmin met de uitspraak van 18 maart 2025 in overeenstemming zijn.
De rechtbank overweegt eerst dat het standpunt van de minister in dit verband, dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser en referent op basis van hechte persoonlijke banden en dat dit in eiser voordeel meeweegt, niet overeenkomt met het standpunt van de minister zoals daarvoor in het bestreden besluit is opgenomen en in deze uitspraak is weergegeven onder rechtsoverweging 11.1. De motivering van de minister is dan ook niet eenduidig en daardoor niet deugdelijk.
Verder heeft de minister in het bestreden besluit onder het kopje ‘Binding met het land van herkomst’ aangegeven dat er nog een gehuwde zus van eiser in Syrië woont en onder het kopje ‘Belang van het kind’ gesteld dat ‘zoals eerder al benoemd is er familie in Syrië waar Mohammad zou kunnen verblijven’. Dit standpunt van de minister komt echter niet overeen met het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 18 maart 2025, waarin de rechtbank al uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat uit de verklaring van de zus, die bij de familie van haar man in Homs woont, blijkt dat zij niet voor eiser kan zorgen en dat er verder geen familieleden in Syrië verblijven.
In de motivering van het bestreden besluit staat voorts ook het volgende: “Mohammad heeft nog familie in een ander land wonen. Uw oudere zus woont in Zweden. Uit haar verblijfskaart blijkt dat zij daar in ieder geval al vanaf 2017 verblijft. Mohammad is echter nooit in Zweden geweest, hij spreekt de taal niet en kent de gebruiken en cultuur niet. Daar zou familie- en gezinsleven ook mogelijk kunnen zijn. Dit weegt licht in uw nadeel.”
De feiten en omstandigheden die de minister hier noemt, zijn echter geen nieuwe feiten en omstandigheden: De rechtbank heeft deze feiten en omstandigheden al in de uitspraak van 18 maart 2025 vastgesteld en op basis daarvan geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat familieleven bij de zus in Zweden mogelijk zou kunnen zijn.
Met louter het opsommen van deze feiten en omstandigheden heeft de minister derhalve nog steeds geen deugdelijke motivering gegeven dat in Zweden familie- en gezinsleven met de zus aldaar mogelijk zou kunnen zijn. De feiten en omstandigheden geven naar het oordeel van de rechtbank eerder aanleiding voor het oordeel dat dit moeilijk tot niet mogelijk is. Het standpunt van de minister dat dit alles licht in eisers nadeel weegt, vindt de rechtbank dan ook niet deugdelijk gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister zich niet heeft gehouden aan de uitspraak van 18 maart 2025 en dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.
14. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het besluit van 18 april 2025 vernietigen. De minister zal voor de tweede keer een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Zoals de rechtbank al eerder aan de minister heeft opgedragen, zal de minister een nieuwe belangenafweging moeten maken met inachtneming van de oordelen in deze uitspraak en de uitspraak van 18 maart 2025.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De vergoeding bedraagt in totaal
€ 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor deelname aan de zitting, met een waarde van € 907,-. per punt).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.