ECLI:NL:RBDHA:2025:24581

ECLI:NL:RBDHA:2025:24581, Rechtbank Den Haag, 19-12-2025, NL25.22147

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-12-2025
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer NL25.22147
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Turkmenistan / artikel 4.1, lid 5 jo. lid 6 van paragraaf C1 Vc2000 / vrees bij terugkeer / ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.22147

Geboren op [geboortedatum] ,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. D. de Vries)

en

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 april 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Het asielrelaas

2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Turkmeense nationaliteit en behoort tot de Oezbeekse bevolkingsgroep. De ouders van eiser hebben in 2017 een huwelijk voor hem gearrangeerd. Tijdens een verblijf in Turkije in 2018 ontmoette eiser echter zijn huidige vrouw. Zij werden verliefd op elkaar en zijn daar op traditionele wijze getrouwd. Samen hebben zij inmiddels twee kinderen. Met dit huwelijk haalde eiser zich de woede op de hals van zijn familie, de familie van zijn vrouw en de familie van zijn voormalige verloofde. Door ooms van zijn vrouw is eiser in Turkije bedreigd en een aantal keren mishandeld. Eiser en zijn vrouw zijn daarop gevlucht naar Oekraïne. Toen daar de oorlog uitbrak zijn zij naar Nederland gereisd. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat Oezbeken in Turkmenistan worden achtergesteld en slechter betaald krijgen.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

huwelijk.

De minister acht de asielmotieven over eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en over zijn problemen om als Oezbeek aan het werk te komen, geloofwaardig. Dit laatste maakt volgens de minister niet dat er sprake is van discriminatie nu niet gebleken is dat eiser dusdanig ernstig is beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk voor hem was op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Eisers familieproblemen als gevolg van zijn verbroken verloving en zijn huidige huwelijk heeft de minister, overeenkomstig artikel 4.1, lid 5 jo. lid 6 van paragraaf C1 van de Vc 2000, niet op geloofwaardigheid getoetst, omdat, wat er ook geoordeeld zou worden over dit asielmotief, het hoe dan ook geen aanleiding kan geven tot het verlenen van een asielvergunning in de zin van artikel 28 van de Vw 2000. Volgens de minister is niet aannemelijk gemaakt dat eiser ook in Turkmenistan problemen met de familie zal hebben noch dat hij geen bescherming van de autoriteiten zou kunnen inroepen, mochten die problemen zich voordoen. De minister heeft eisers aanvraag afgewezen als ongegrond.

Gronden

4. In zijn gronden van beroep heeft eiser aangevoerd dat nu zijn problemen geloofwaardig worden geacht, althans niet worden beoordeeld, de minister, overeenkomstig de jurisprudentie van de Afdeling, had dienen te onderzoeken of eiser in Turkmenistan bescherming van de autoriteiten kan krijgen. Pas indien die vraag bevestigend beantwoord is mag de minister van eiser verwachten dat hij aannemelijk maakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos is. Nu de minister dit onderzoek niet heeft verricht kan hij niet stellen dat eiser bij terugkeer niet in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM zal belanden.

Beoordeling door de rechtbank

Het juridisch kader

5. Uit het beleid van de minister volgt dat de minister in het kader van de toets aan artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven beoordeelt, tenzij hij reden ziet om de feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. In dat geval laat de minister kenbaar de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden, met uitzondering van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling. De minister beoordeelt vervolgens de zwaarwegendheid van de geloofwaardig gevonden feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de asielmotieven of de zwaarwegendheid van de feiten en omstandigheden waarvan de geloofwaardigheid in het midden is gelaten.

6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat deze werkwijze van de minister niet onzorgvuldig is, mits alle verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Voor de bestuursrechter betekent dit dat bij de toetsing moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden. Dit is noodzakelijk om de besluitvorming daadwerkelijk en effectief op rechtmatigheid te kunnen toetsen.

Vrees bij terugkeer

7. De rechtbank constateert dat partijen in beroep uitsluitend verdeeld zijn over de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkmenistan heeft te vrezen voor familieproblemen als gevolg van het verbreken van zijn verloving en zijn huidige huwelijk. De rechtbank is van oordeel dat wat eiser in dat kader heeft aangevoerd niet slaagt. De minister heeft volgens zijn beleid gehandeld door de geloofwaardigheid van eisers derde asielmotief in het midden te laten en het slechts op zwaarwegendheid te beoordelen. Gelet op de eerder genoemde rechtspraak van de Afdeling vindt de rechtbank dit beleid niet onredelijk. De minister heeft zowel in het voornemen als in het bestreden besluit kenbaar toegelicht hoe hij tot deze conclusie is gekomen. Bij de beoordeling van de zwaarwegendheid wordt door de minister terecht geen oordeel gegeven over de geloofwaardigheid van eisers verklaringen ten aanzien van hetgeen hem in Turkije is overkomen, maar worden deze verondersteld geloofwaardig te zijn. Vervolgens heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van een concrete vrees bij terugkeer naar Turkmenistan. Hierbij heeft de minister belang mogen hechten aan eisers verklaringen dat de problemen met zijn schoonfamilie zich afspeelden in 2019 in Turkije en dat, nadat zij Turkije hadden verlaten, er zich geen problemen meer hebben voorgedaan. Eiser heeft uit Turkije geen bedreigingen meer ontvangen. Eiser heeft evenmin berichten uit Turkmenistan ontvangen waaruit zou blijken dat hij daar problemen zou kunnen krijgen. Zijn stelling dat zijn familie hem zijn huwelijk niet zal vergeven en eerwraak wil nemen, heeft de minister niet aannemelijk hoeven achten nu eiser deze bedreigingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Eiser beroept zich enkel op eigen aannames en vermoedens. Dit maakt dat de minister de door eiser gestelde vrees niet aannemelijk heeft hoeven achten. Nu eiser de vrees bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt, bestond er voor de minister geen verplichting om onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor eiser om in Turkmenistan bescherming van de autoriteiten te krijgen.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Griffier

  • mr. P.C.J. Lindeijer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?