[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. F.S.M. Oudijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (referent) en de gemachtigde van eiseres. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1942 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres is de grootmoeder van referent. Referent heeft namens eiseres een aanvraag ingediend voor verblijf bij referent.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat er tussen referent en eiseres geen sprake is van familie- of gezinsleven. Er tussen hen namelijk geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – twee gronden aan. Ten eerste stelt eiseres dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eiseres. Eiseres is in Marokko volledig op zichzelf aangewezen. Eiseres heeft gezien haar toenemende medische klachten en haar leeftijd zorg nodig van haar familie, nu het voor eiseres onmogelijk is om de noodzakelijke zorg te krijgen in Marokko. Verweerder stelt ten onrechte dat er geen sprake is van een blijvende medische situatie, waarvoor eiseres exclusief afhankelijk is van de zorg van referent. Verweerder heeft ten onrechte miskend dat eiseres ook met Nederland zeer sterke persoonlijke en familiale banden heeft. Ten slotte heeft verweerder, gelet op het voorgaande, ten onrechte geen belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5. Ouders en hun meerderjarige kinderen kunnen alleen een beroep doen op artikel 8 van het EVRM als er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van de vraag of er sprake is van een afhankelijkheid tussen volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Bij de beoordeling van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, dient verweerder alle individuele omstandigheden van het geval te betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin en hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen en zoveel mogelijk te onderbouwen uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en daarmee geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Zoals ter zitting is gebleken, is niet in geschil dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in het bestreden besluit heeft betrokken, maar gaat het om het gewicht dat hieraan is toegekend. Hoewel voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is vereist dat eiseres niet zonder referent zelfstandig kan functioneren, kan verweerder het antwoord op de vraag of eiseres exclusief afhankelijk is van referent wel als een onderdeel in de beoordeling betrekken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder heeft hiertoe mogen betrekken dat eiseres nauwelijks – de rechtbank begrijpt: van zijn eerste tot en met zijn derde levensjaar – heeft samengewoond met referent en dat niet is gebleken dat zij dermate afhankelijk was van referent dat referent zijn aanwezigheid bij haar was vereist. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat de omstandigheid dat eiseres na 2020 hulpbehoevender is geworden niet maakt dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Wat betreft de gezondheidsklachten van eiseres heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij voor haar dagelijkse verzorging afhankelijk is van de ondersteuning door referent. De arts van eiseres schrijft weliswaar in zijn verklaring dat eiseres ondersteuning nodig heeft van een derde (een familielid), maar hieruit volgt nog niet dat ondersteuning op dagelijkse basis nodig is of dat deze ondersteuning alleen door referent kan worden geboden. Ook heeft verweerder mogen meewegen dat de kinderen van eiseres een afspraak hebben gemaakt met haar arts dat hij in geval van nood naar het huis van eiseres gaat om haar te helpen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft kunnen tegengeworpen dat niet is aangetoond dat sprake is van een blijvende medische situatie die dermate ernstig is dat eiseres niet meer dagelijks kan functioneren en die niet ter plekke kan worden behandeld. Verweerder heeft verder mogen betrekken dat zij tot 2020 altijd hulp heeft gekregen van haar zoons [naam 2] en [naam 3] en tot 2024 van haar ex-echtgenoot. Daarnaast heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiseres financieel niet afhankelijk is van referent. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat eiseres weliswaar in de periode van 1971 tot 1979 in Nederland heeft gewoond en dat bijna al haar kinderen in Nederland wonen, maar dat haar banden met Marokko sterker worden geacht, nu zij daar is geboren en opgegroeid. De rechtbank ziet in dat er een hechte band bestaat tussen referent en eiseres. De zorgen en bereidheid van referent om eiseres te ondersteunen zijn begrijpelijk en geven blijk van een bezorgdheid en hulpbereidheid, maar verweerder heeft mogen tegenwerpen dat de aangevoerde omstandigheden – ook in onderlinge samenhang bezien – niet maken dat de band tussen eiseres en referent zo bijzonder is dat deze de gebruikelijke (emotionele) banden tussen grootouders en meerderjarige kinderen overstijgt en van bijzondere afhankelijkheid sprake is.
6. Verweerder heeft gelet op het voorgaande deugdelijk gemotiveerd dat er tussen eiseres en referent geen familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. In die beoordeling zijn alle relevante individuele feiten en omstandigheden betrokken. Verweerder mocht daarom volstaan met de vaststelling dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Dat betekent dat verweerder in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.