ECLI:NL:RBDHA:2025:24631

ECLI:NL:RBDHA:2025:24631, Rechtbank Den Haag, 20-11-2025, C/09/673617 / FA RK 24-7184

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-11-2025
Datum publicatie 31-12-2025
Zaaknummer C/09/673617 / FA RK 24-7184
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Scheiding met nevenvoorzieningen: hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinderalimentatie, partneralimentatie, huurrecht, verdeling

Uitspraak

Scheiding

Beschikking op het op 7 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.J.J. Copper te Almere.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 22 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Namens de man is op de zitting het eindverslag van [zorginstantie] overgelegd.

Feiten

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .

- dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] ( [postcode 1] ) te [plaats 1] ;

- dat de minderjarige [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd;

- dat [minderjarige] voorlopig in de ene week van woensdagochtend 7.30 uur tot zaterdagmiddag 12.00 uur en in de andere week van woensdagochtend 7.30 uur tot zondagochtend 9.00 uur bij de vrouw zal zijn. De overdracht van [minderjarige] zal plaatsvinden tussen de moeder van de vrouw en de man, waarbij de man [minderjarige] op woensdag om 7.30 uur naar de vrouw brengt en de moeder van de vrouw [minderjarige] weer op zaterdagmiddag 12.00 uur dan wel zondagochtend om 09.00 uur terugbrengt naar de man;

- dat de man aan de vrouw met ingang van 27 november 2024 voorlopig een kinderalimentatie van € 128,- per maand zal betalen, en met ingang van 27 februari 2025 van € 152,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt, na wijziging, tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

- de waarde van de auto Mazda 3 sport vast te stellen op € 1.000,- en te bepalen dat de auto dient te worden verkocht, waarna de koopsom ieder voor de helft toekomt;

- te bepalen dat het saldo op de en/of rekening nihil is en dat de rekening opgeheven kan worden;

- te bepalen dat de waarde van de door de man over te nemen inboedelgoederen € 455,- is en de waarde van de door de vrouw te bedelen goederen € 582,-, waarbij deze bedragen tegen elkaar weggestreept kunnen worden als de vrouw de magnetron, laptop, telefoon en Nintendo houdt en de man de rest van de inboedel;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert – onder referte voor het verzoek met betrekking tot het huurrecht – verweer tegen het overige, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de vrouw, na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

- Pasen: Eerste Paasdag bij de vrouw, Tweede Paasdag bij de man;

- Koningsdag: bij de man;

- Hemelvaart: bij de vrouw;

- Pinksteren: Eerste Pinksterdag bij de vrouw, Tweede Pinksterdag bij de man;

- Vader- en Moederdag: [minderjarige] verblijft de avond voor Moederdag (de zaterdag) vanaf 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vrouw, [minderjarige] verblijft de avond voor Vaderdag (de zaterdag) vanaf 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man;

- Sinterklaas: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;

- Kerst: in de even jaren op Kerstavond vanaf 17.00 uur en Eerste Kerstdag bij de vrouw en Tweede Kerstdag bij de man, in de oneven jaren op Kerstavond vanaf 17.00 uur en Eerste Kerstdag bij de man en Tweede Kerstdag bij de vrouw;

- Oud- en nieuw: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;

- Verjaardag [minderjarige] : in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man;

- Verjaardag ouders: op de verjaardag van de vrouw bij de vrouw, op de verjaardag van de man bij de man;

- de waarde van de auto Mazda 3 sport met kenteken [kenteken] vast te stellen op € 1.800,- en te bepalen dat deze auto aan de man wordt toebedeeld, uit hoofde waarvan de man aan de vrouw een bedrag van € 900- dient te voldoen;

- te bepalen dat de en/of rekening van partijen bij de ING met rekeningnummer [rekeningnummer] wordt opgeheven;

- de waarde van de inboedel vast te stellen op € 1.888,80 en te bepalen dat de inboedel aan de man wordt toebedeeld, uit hoofde waarvan de man aan de vrouw een bedrag van € 944,40 dient te voldoen;

- bepaling dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de verzochte regeling ten aanzien van de Kerst, de kinderalimentatie en de wijze van de verdeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding

Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan

De ouders hebben geen ouderschapsplan overgelegd zoals omschreven in artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In de wet is voorgeschreven dat een ouderschapsplan een processuele eis is bij een verzoek tot echtscheiding. Daarom heeft de rechtbank de bevoegdheid om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).

Volgens de man is het partijen niet gelukt om tot een ouderschapsplan te komen door de problematische communicatie. Partijen zijn in mediation geweest, maar ook dat heeft niet geholpen.

De vrouw geeft eveneens aan dat het niet gelukt is om een ouderschapsplan te maken. De vrouw is bang voor de man en is bezig met de verwerking van haar trauma. Om dit herstel te bevorderen is zo min mogelijk contact met de man het beste.

Aangezien de man en de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment niet mogelijk is om een door beide ouders akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Inhoudelijke beoordeling

De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.

Huurrecht

De man verzoekt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. Hij was voor het huwelijk van partijen al huurder van de echtelijke woning, en de vrouw heeft de woning per september 2024 verlaten.

De rechtbank zal, nu de vrouw zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, het verzoek van de man tot toedeling aan hem van het huurrecht van de echtelijke woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Hoofdverblijfplaats

De man wil graag dat [minderjarige] na de echtscheiding bij hem ingeschreven zal staan. Hij vraagt zich namelijk af of de vrouw daadwerkelijk meer toeslagen kan ontvangen als [minderjarige] bij haar ingeschreven wordt, omdat zij nog bij haar ouders woont. Tot slot vindt de man dat de vrouw hem onvoldoende informeert over [minderjarige] , bijvoorbeeld over de tandarts en een incident dat laatst plaatsvond.

De vrouw vindt dat [minderjarige] bij haar ingeschreven moet worden. De vrouw draagt net iets meer zorg voor [minderjarige] , en vindt dat zij dit ook gedurende het huwelijk deed. Tot slot stelt de vrouw dat de fiscale voordelen beter benut worden als [minderjarige] bij haar ingeschreven wordt, vanwege haar huidige inkomen dat lager is dan dat van de man.

De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw bepalen. Het uitgangspunt is dat de hoofdverblijfplaats van kinderen wordt bepaald bij de ouder die de meeste zorg voor hen draagt. De rechtbank ziet dat de vrouw in de huidige zorgregeling – zij het zeer beperkt – een iets zwaardere zorgtaak heeft. Daarnaast is [minderjarige] in de voorlopige voorzieningenprocedure al aan de vrouw toevertrouwd, en dat gaat goed. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om daar wijziging in aan te brengen. De door de vrouw gestelde hogere vergoedingen en toeslagen spelen bij de beslissing om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen geen doorslaggevende rol, maar eventuele voordelen op financieel vlak kunnen wel ten goede komen aan [minderjarige] .

Zorgregeling

In de voorlopige voorzieningenprocedure is een regeling bepaald tussen de vrouw en [minderjarige] . Die regeling houdt in dat [minderjarige] bij de man is van zaterdag 12.00 uur tot woensdagochtend 7.30 uur in de ene week en van zondagochtend 9.00 uur tot woensdagochtend 7.30 uur in de andere week. De man wil graag dat deze regeling gewijzigd wordt. De voornaamste reden hiervoor is dat hij een keer in de twee weken een halve zaterdag met [minderjarige] heeft, en verder enkel zondagen. De man wil graag met [minderjarige] leuke dingen doen op zaterdag, zodat de zondag een rustdag kan zijn.

De vrouw wil ook dat de voorlopige regeling gewijzigd wordt, omdat die regeling betekent dat zij weinig vrije dagen heeft met [minderjarige] op het moment dat hij naar de basisschool gaat. De vrouw stelt een zorgregeling voor waarbij [minderjarige] bij de man is van zondagochtend 09.00 uur tot woensdagochtend 07.30 uur. Beide ouders hebben dan een dag in het weekend met [minderjarige] . Ook vindt de vrouw het spannend als [minderjarige] op vrijdag en zaterdag bij de man is, vanwege het alcohol- en middelengebruik waar hij in het verleden mee te maken had. Met de door de vrouw voorgestelde regeling worden deze dagen vermeden. De vrouw verzoekt ook een regeling voor de feestdagen.

De rechtbank bepaalt dat zij de zorgregeling die is vastgesteld door de voorzieningenrechter als definitieve regeling zal opnemen. De rechtbank kan op dit moment niet anticiperen op een regeling voor het moment dat [minderjarige] naar school gaat. De huidige regeling loopt al een jaar en er zijn op de zitting verder geen grote problemen bij de uitvoering ervan naar voren gekomen. De rechtbank overweegt dat de eerder bepaalde regeling geen onredelijke verdeling is en partijen hebben er destijds zelf mee ingestemd. Tot slot zijn partijen het op de zitting niet eens geworden over een nieuwe regeling. Alles overwegende bepaalt de rechtbank daarom de voorlopige regeling als definitieve zorgregeling.

Voor wat betreft de feestdagen zal de rechtbank aansluiten bij het voorstel van de vrouw, nu de man het daarmee eens is. Partijen zijn het niet eens over de Kerst. De man verzoekt te bepalen dat [minderjarige] ieder jaar bij hem is van Kerstavond tot Tweede Kerstdag om 09.00 uur, terwijl de vrouw de kerstdagen om en om per jaar wil wisselen. De rechtbank zal voor de Kerst aansluiten bij het voorstel van de vrouw omdat het hier bijzondere dagen betreft waarvoor een schema met afwisseling redelijk lijkt. De rechtbank begrijpt dat de man dit liever anders had gezien omdat hij met meer partijen rekening moet houden.

De rechtbank overweegt verder dat, zoals op de zitting ook duidelijk werd, de communicatie van de ouders niet altijd even goed is. Er is over en weer sprake van wantrouwen en het lukt niet altijd om samen tot afspraken te komen. De Raad heeft daarom ter zitting geadviseerd om een Parallel Solo Ouderschapstraject te volgen.

Beide ouders hebben vervolgens de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams [regio] voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams [regio] .

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

De rechtbank zal de bijdrage van de man in de verzorging en opvoeding van de kinderen naar redelijkheid met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen, gelet op het feit dat er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is vastgesteld.

Behoefte

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] € 535,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 is deze behoefte dan € 570,- per maand.

Draagkracht vrouw

Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw uitgaat van een ziektewetuitkering van € 16.151,- per jaar.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 1.611,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van haar werkelijke woonlast in plaats van het woonbudget. De vrouw woont bij haar ouders en betaalt geen bijdrage aan hen. Daarnaast heeft de vrouw een nieuwe partner, waardoor woonlasten gedeeld kunnen worden. De man vindt dus dat er geen rekening gehouden moet worden met het woonbudget. De vrouw is het hier niet mee eens. Zij betaalt op dit moment geen bijdrage aan haar ouders omdat zij in de ziektewet zit, maar die situatie is tijdelijk. Van samenwonen met een nieuwe partner is vooralsnog geen sprake volgens de vrouw.

De rechtbank overweegt hierover dat zij de vrouw zal volgen in haar argumenten en dus wel rekening zal houden met het woonbudget. Ook naar het oordeel van de rechtbank is de situatie van de vrouw geen duurzame situatie, zij zal niet onbeperkt (zonder bijdrage te leveren) bij haar ouders blijven wonen. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de vrouw samenwoont met een nieuwe partner en woonlasten kan delen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om van het woonbudget af te wijken.

Bij een NBI tot € 1.875,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2025) een minimale draagkracht van € 25,- per maand voor één kind. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.363,- bruto per maand, te vermeerderen met € 454,- IKB per maand en een vuilwerktoeslag compostering van € 90,- per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties van augustus, september en oktober 2025.

De rechtbank houdt verder rekening met:

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 3.203,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.203 – (961 + 1.310)] = € 652,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen is gezamenlijk € 677,- per maand (€ 25,- + € 652,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 652 / 677 x 570 = € 549,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 25 / 677 x 570 = € 21,- ,

samen € 570,-

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 549,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 21,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 200,- per maand (35% van € 570,-).

Conclusie

De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt daarom € 349,- per maand (€ 549 – € 200,-)

Partneralimentatie

Behoefte

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.

Partijen zijn het erover eens dat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 3.759,- bedraagt.

Hiervan moeten de kosten van [minderjarige] worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 3.189,- per maand (€ 3.759,- – € 570,-) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 1.913,- netto per maand (60% van € 3.189,- per maand).

Aanvullende behoefte

Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 1.913,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen, voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen KGB wordt gedekt, moet er vervolgens weer bij worden opgeteld.

Voor de bepaling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank opnieuw uit van een ziektewetuitkering van € 16.151,- per jaar.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 1.120,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

De man stelt dat ook voor de partneralimentatie geen rekening gehouden moet worden met woonlasten, vanwege het verblijf van de vrouw bij haar ouders en de nieuwe partner. De rechtbank overweegt dat zij het, net als bij de kinderalimentatie, wel redelijk acht om rekening te houden met woonlasten. De vrouw betaalt op dit moment geen huur, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank een tijdelijke situatie en daarnaast is niet gebleken dat de vrouw woonlasten kan delen met een nieuwe partner.

Dit betekent dat de aanvullende behoefte van de vrouw € 793,- netto per maand bedraagt. Dat is € 1.387,- bruto per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank eveneens uit van dezelfde gegevens als bij de berekening van de kinderalimentatie. De rechtbank gaat uit van een inkomen van € 3.363,- bruto per maand, te vermeerderen met € 454,- IKB per maand en een vuilwerktoeslag compostering van € 90,- per maand.

De rechtbank houdt verder rekening met:

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 3.203,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] toepassen. Hierbij wordt rekening gehouden met een woonbudget van 30% van het NBI en wordt de alimentatieplichtige geacht alle kosten van wonen uit te kunnen voldoen.

Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 559,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] van € 549,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van

€ 10,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 16,- per maand.

Ingangsdatum

De rechtbank merkt over de ingangsdatum op dat op grond van artikel 1:157 lid 6 BW de verplichting tot het verschaffen van een uitkering tot levensonderhoud niet eerder intreedt dan op de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

Conclusie

De man moet de vrouw met ingang van de dag van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 16,- bruto per maand aan partneralimentatie betalen.

Verdeling

Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2021 waardoor moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestaat.

De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.

Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.

Peildatum

Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, namelijk 7 oktober 2024. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.

Omvang

De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen naar voren gebracht die in de ontbonden huwelijksgemeenschap vallen:

Ad a. De auto Mazda

Partijen hebben de auto aangekocht in 2023 voor een bedrag van € 1.950,-. Ter zitting hebben de man en de vrouw aan de rechtbank gevraagd om een verdeling in redelijkheid vast te stellen.

De auto zal worden toebedeeld aan de man. Ten aanzien van de waarde overweegt de rechtbank dat zij op gronden van redelijkheid en billijkheid aanleiding ziet om te bepalen dat niet de datum van de uitspraak van de rechtbank bepalend zal zijn voor de waardebepaling van de auto. Na het uiteengaan van partijen heeft immers alleen de man de beschikking over en het genot van de auto gehad, waardoor de auto minder waard is geworden. De rechtbank zal daarom als peildatum voor de waardering van de auto uitgaan van 7 oktober 2024.

De rechtbank acht het hierbij redelijk om een afschrijvingspercentage van ongeveer 20% te hanteren. Omdat partijen het eens waren over de aankoopwaarde van € 1.950,-, stelt de rechtbank daarom de waarde van de auto vast op € 1.550,-. De man moet dus een bedrag van € 775,- voldoen aan de vrouw.

Ad b. En/of-rekening ING

Niet in geschil is dat partijen een gezamenlijke rekening hebben met een nihil saldo. Partijen zijn het er over eens dat deze rekening moet worden opgeheven. Er valt op dit punt daarom niets te beslissen voor de rechtbank.

Ad c. Inboedel

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de inboedel van partijen reeds verdeeld is en dat de man een bedrag van € 750,- aan de vrouw zal voldoen, te betalen in termijnen van € 100,- per keer. De eerste termijn moet betaald worden in december 2025.

Ten aanzien van de telefoon van de man overweegt de rechtbank nog dat de door de vrouw betaalde termijnen niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komen omdat de waarde van de telefoon reeds is betrokken bij de vergoeding die de man aan de vrouw moet betalen voor dat wat hem toekomt van de inboedel van partijen. De rechtbank gaat er vanuit dat de vrouw eventuele termijnen die na de beschikkingsdatum verschuldigd worden ook zal betalen, dit gaat volgens haar om enkele tientallen euro’s, maar dat de man deze termijnen wel zal terugbetalen aan de vrouw. Dat bedrag komt bovenop de € 750,- die hij aan de vrouw gaat betalen.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2021 te [plaats 1] ;

*

bepaalt dat de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,

de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

*

bepaalt dat de minderjarige bij de man zal zijn:

*

bepaalt dat ten aanzien van [minderjarige] de volgende feestdagenregeling zal gelden:

*

stelt vast dat partijen, te weten:

[de man] , (de man)

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

en

[de vrouw] , (de vrouw)

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Jeugdteams [regio] voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:

- Jeugdteams [regio] , [adres 2] , [postcode 2] [plaats 2] ;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van datum beschikking een kinderalimentatie ten behoeve [minderjarige] van € 349,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 16,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte aan de [adres 1] ( [postcode 1] ) te [plaats 1] ;

*

stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

1. de inboedel is reeds tussen partijen verdeeld, uit hoofde waarvan de man een bedrag van € 750,- aan de vrouw moet voldoen, te betalen in maandelijkse termijnen van € 100,-;

2. de auto Mazda 3 sport met kenteken [kenteken] wordt toegedeeld aan de man, waarbij geldt dat de man een bedrag van € 775,- aan de vrouw moet betalen;

*

verklaart deze beslissing – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. van Zeben-de Vries

Griffier

  • mr. E.M. van Middelkoop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?