RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Buitenlandse Zaken
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32429
(gemachtigde: mr. P. Singh),
en
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bij zijn dochter (referente). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk mogen twijfelen aan eisers voornemen om het Schengengebied tijdig te verlaten. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 is kort weergegeven waarom de minister eisers aanvraag heeft afgewezen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. De minister heeft de aanvraag van eiser om een visum kort verblijf met het besluit van 6 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 juli 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Ook bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over eisers voornemen om het Schengengebied tijdig te verlaten, omdat hij een beperkte sociale en economische binding heeft met Pakistan.
Had de minister eiser moeten uitnodigen voor een hoorzitting?
4. Eiser betoogt dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. In visumprocedures vormt de bezwaarprocedure in de praktijk de enige mogelijkheid om het primaire besluit inhoudelijk te laten toetsen. Het lag daarom op de weg van de minister om een hoorzitting te houden, zodat eventuele onduidelijkheden mondeling konden worden besproken en aanvullende bewijsstukken konden worden overgelegd.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister slechts in uitzonderlijke gevallen van het horen in bezwaar kan afzien. Hierbij is onder meer van belang hoe de vreemdeling zich heeft opgesteld in de bezwaarprocedure. Als een vreemdeling actief inspanningen heeft verricht om informatie te leveren en met de minister heeft gecommuniceerd om informatie naar boven te krijgen, moet de minister sneller aanleiding zien om hem te horen.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij van horen van eiser af heeft kunnen zien. In de bezwaarprocedure heeft de minister eiser gevraagd om aanvullende informatie om het bezwaar goed te kunnen beoordelen. Daartoe heeft de minister aan eiser een ‘Vragenlijst visumaanvraag’ gestuurd met het verzoek om die ingevuld terug te sturen. Deze vragenlijst bevat een toelichting van de bewijsstukken die de minister voor de beslissing op het bezwaar nodig had. Deze vragenlijst heeft eiser echter niet teruggestuurd. Tijdens de zitting heeft eiser uitgelegd dat hij dat niet heeft gedaan, omdat de aanvraag al compleet was en de vragenlijst daarom weinig toegevoegde waarde zou hebben. Dat doet er echter niet aan af dat de minister de aanvullende informatie voor het nemen van de beslissing op bezwaar wel noodzakelijk vond. Bovendien heeft eiser in bezwaar geen andere aanvullende informatie naar voren gebracht waarover eiser tijdens een hoorzitting uitleg had kunnen geven. Eiser heeft namelijk alleen verwezen naar de stukken die bij de aanvraag zijn overgelegd, die al in het besluit van 6 mei 2025 waren betrokken. De toelichting van eiser dat tijdens een hoorzitting had kunnen worden besproken dat eiser alleen naar Nederland zou komen en zijn echtgenote in Pakistan zou achterblijven, maakt dat niet anders. De minister was daar tijdens de bezwaarprocedure namelijk niet van op de hoogte en hoefde dat ook niet te zijn, omdat eiser dat niet in zijn bezwaarschrift had aangevoerd. Het valt daarom niet in te zien hoe de minister in die omstandigheid reden had kunnen en moeten zien om eiser voor een hoorzitting uit te nodigen.
Heeft eiser de sociale en economische binding met Pakistan aannemelijk gemaakt?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het Schengengebied na afloop van de geldigheidsduur van het visum te verlaten, omdat hij zijn gestelde sociale en economische binding met Pakistan niet aannemelijk heeft gemaakt.
Bij de beoordeling van deze beroepsgrond stelt de rechtbank voorop dat de minister een ruime beoordelingsmarge heeft bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over voornemen om Schengengebied te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, en dus of een vreemdeling een sociale en economische binding heeft met het herkomstland. De rechtbank toetst de beoordeling door de minister daarom terughoudend.
Sociale binding
Eiser betoogt dat hij voldoende sociale binding heeft met Pakistan. Eiser is daar namelijk geboren en getogen. Hij heeft daar zijn gehele netwerk en spreekt alleen Urdu. De pensioengerechtigde leeftijd van eiser doet daar niet aan af. Bovendien zal de echtgenote van eiser niet (meer) met hem meereizen naar Nederland. Hierdoor is zijn sociale binding met Pakistan sterker dan tijdens de aanvraag. Dat eiser geen zorg draagt voor anderen – zoals minderjarige kinderen – mag de minister niet ten nadele van eiser in zijn besluit betrekken. Gepensioneerden hebben namelijk doorgaans geen minderjarige kinderen meer en dit plaatst ouderen in een onredelijk moeilijke bewijspositie.
Het betoogt slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser onvoldoende sociale binding met Pakistan heeft. De minister mocht in dat verband tegenwerpen dat eiser geen eigen gezin heeft waarvoor hij de verantwoordelijkheid draagt en dat ook niet is gebleken van andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die hem zouden dwingen tijdig naar Pakistan terug te keren. De minister heeft, anders dan eiser stelt, dus niet slechts aan eiser tegengeworpen dat hij geen zorg draagt voor minderjarige kinderen. De stelling dat eiser een sterk sociaal netwerk heeft en het volstrekt ondenkbaar is dat hij gezien zijn leeftijd, taalbeperking en sterke sociale banden zijn leven in Pakistan zou opgeven voor een illegaal verblijf in Nederland, heeft de minister onvoldoende mogen vinden om een tijdige terugkeer naar Pakistan te waarborgen. Datzelfde geldt voor de stelling van eiser dat er geen pullfactoren zijn in Nederland die hem aantrekkelijk genoeg zijn om zijn vaste leven in Pakistan te willen opgeven. De omstandigheid dat eisers echtgenote heeft besloten om achter te blijven in Pakistan, had de minister tot slot niet mee hoeven wegen. Dat is namelijk een omstandigheid die pas na het nemen van het bestreden besluit naar voren is gebracht. De rechtbank toetst alleen of de minister het bestreden besluit heeft kunnen nemen op grond van de feiten en omstandigheden die toen bekend waren.
Economische binding
Verder betoogt eiser dat hij voldoende economische binding heeft met Pakistan. Eiser ontvangt namelijk een aantoonbaar duurzaam pensioen, waaruit een stabiele financiële situatie in Pakistan blijkt. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat eiser van oktober 2024 tot en met maart 2025 maandelijks een bedrag van 35.996 Pakistaanse roepie (omgerekend ongeveer € 108) op zijn rekening gestort heeft gekregen met de omschrijving “pensioen”. Het is eiser onduidelijk waarom zijn pensioen niet als duurzaam inkomen zou gelden of waarom de duurzaamheid van dit pensioen onvoldoende is aangetoond. Het was voor eiser ook onduidelijk welke gegevens volgens de minister nog ontbreken, waardoor het hem onmogelijk werd gemaakt om in bezwaar gericht aanvullende stukken in te dienen.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser onvoldoende economische binding met Pakistan heeft. De minister mocht in dit verband aan eiser tegenwerpen dat het pensioen dat hij geniet in het buitenland kan worden uitbetaald, zodat dit pensioen onvoldoende waarborg voor een tijdige terugkeer naar Pakistan is. De minister heeft om dezelfde reden aan eiser mogen tegenwerpen dat zijn bank- en spaarrekeningen met een positief saldo niet een zodanig gewicht in de schaal leggen dat een economische binding met Pakistan aangenomen dient te worden. Bovendien heeft eiser geen bewijsmiddelen overgelegd waaruit blijkt dat er op een andere manier sprake is van economische activiteiten of verplichtingen op grond waarvan eiser in Pakistan aanwezig moet zijn, terwijl de minister daar – zoals onder 4.2 overwogen en anders dan eiser betoogt – wel om heeft gevraagd. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat de minister hem in de bezwaarprocedure onvoldoende de gelegenheid heeft geboden om de onderbouwing van zijn visumaanvraag aan te vullen.
Conclusie over deze beroepsgrond
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister mocht aan eiser tegenwerpen dat twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het Schengengebied na afloop van de geldigheidsduur van het visum te verlaten.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.