ECLI:NL:RBDHA:2025:24721

ECLI:NL:RBDHA:2025:24721, Rechtbank Den Haag, 19-12-2025, NL25.19529

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-12-2025
Datum publicatie 23-12-2025
Zaaknummer NL25.19529
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

visum voor kort verblijf, omgeklapte BNT, beroep tegen BNT niet-ontvankelijk, beroep tegen de afwijzing van de aanvraag gegrond, in de bezwaarfase ten onrechte afgezien van de hoorplicht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Buitenlandse Zaken,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.19529

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),

en

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een visum voor kort verblijf. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank (de handhaving in bezwaar van) de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in bezwaar ten onrechte heeft afgezien van de hoorplicht (zie onder 5). Hij had niet zonder te horen het bezwaar ongegrond mogen verklaren. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep voor zover gericht tegen het besluit op bezwaar is dus gegrond. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar is niet-ontvankelijk (zie onder 3) Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 oktober 2024 afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de minister op 7 april 2025 in gebreke gesteld, omdat nog niet was beslist op dit bezwaar. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar heeft van rechtswege ook betrekking op het alsnog genomen besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar ontvankelijk?

3. De minister heeft een inhoudelijk besluit op de aanvraag van eiser genomen. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog een belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen: hij kan namelijk met het beroep niet meer bereiken dat de minister alsnog een besluit neemt, dat is namelijk al genomen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.

Reden van de visumaanvraag

4. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Kaapverdische nationaliteit. Op 22 augustus 2024 heeft eiser verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf om zijn drie in Nederland woonachtige kinderen te bezoeken.

Het bestreden besluit

5. De minister wijst de aanvraag van eiser af omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en aannemelijk gemaakt en omdat er redelijke twijfel bestaat over eisers voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. In bezwaar handhaaft de minister die afwijzing en ziet, omdat hij het bezwaar kennelijk ongegrond vindt, van het horen van eiser af. Eiser heeft tijdens de bezwaarprocedure de opgegeven referente gewijzigd. De aanvankelijk opgegeven referente (referente 1), kon om een volgens de minister niet kenbare reden niet langer als referente fungeren. Eiser heeft vervolgens verklaard dat logies zal worden verstrekt door een andere referente (referente 2). Diej zou, net als referente 1, een vriendschappelijke relatie hebben met eiser. Volgens de minister is nagelaten om een ‘Bewijs van garantstelling en/of logiesverstrekking’ over te leggen van referente 2. Ook wijkt de opgegeven verblijfsduur door referente 2 af van de opgegeven verblijfsduur door eiser.

Daarnaast bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over eisers voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Volgens de minister is niet gebleken dan wel niet aannemelijk gemaakt dat eiser sociale en economische binding heeft met het land van herkomst, waardoor wordt getwijfeld aan de uiteindelijke verblijfsduur – en in het verlengde hiervan – aan de juistheid van het opgegeven verblijfsdoel.

Heeft de minister de hoorplicht geschonden?

6. Eiser betoogt dat de minister hem had moeten horen en het bezwaarschrift niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren. Volgens hem is er wel degelijk sprake van een sociale en economische band met Kaapverdië, zodat een tijdige terugkeer is gegarandeerd. Eiser heeft een baan in Kaapverdië op freelancebasis. Het zou voor hem zeer ongunstig zijn om gelet op zijn baan en het pensioen dat hij daarmee opbouwt niet terug te keren naar Kaapverdië. Bij de beoordeling van de sociale binding heeft de minister onvoldoende meegewogen dat de moeder van eiser – wie hij tevens verzorgt –, zijn zus en oudste zoon in Kaapverdië wonen. Daarnaast heeft eiser ook een waarborgsom aangeboden en aangeboden mee te werken aan een meldplicht, borgstelling of bewaring. Gelet op deze omstandigheden had de minister dan ook niet kunnen afzien van horen in bezwaar. Eiser had ook zijn reisdoel en verblijfsomstandigheden tijdens de hoorzitting kunnen ophelderen. Dit geldt te meer nu er volgens eiser sprake is van een situatie waarbij artikel 8 van het EVRM een rol speelt. Als onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en naar twee uitspraken van deze rechtbank.

De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat hij van horen heeft kunnen afzien omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. De minister baseert deze conclusie op alles wat in de aanvraag- en bezwaarprocedure is aangevoerd, in combinatie met de inhoud van het besluit op de aanvraag. Op zitting heeft de minister dit standpunt toegelicht en gesteld dat, hoewel er in bezwaar nieuwe gronden zijn aangevoerd, dit geen reden geeft om eiser te horen. De gronden zijn toegelicht in het bezwaarschrift en daarmee heeft eiser zijn economische en sociale binding met Kaapverdië alsnog onvoldoende onderbouwd. Hieruit blijkt namelijk onvoldoende dat eiser een substantieel en regelmatig inkomen heeft in Kaapverdië. Zo blijkt volgens de minister uit de door eiser overgelegde verklaring en loonstroken niet dat eiser in Kaapverdië een vaste arbeidsovereenkomst heeft bij TUI en dat deze werkzaamheden hem dwingen tijdig terug te keren naar Kaapverdië. Daarnaast is eiser ongehuwd en heeft hij drie kinderen die allemaal woonachtig zijn in Nederland. Volgens de minister blijkt hieruit dat eiser geen sociale band heeft voor wat betreft een eigen achtergebleven gezin. Ook is niet gebleken dat eiser zorg heeft voor andere (directe) familieleden.

Ook de verklaring van eiser over zijn in Kaapverdië wonende zoon en moeder acht de minister onvoldoende. Uit de verklaring over eisers zoon blijkt dat zijn zoon een eigen gezin in Kaapverdië heeft en daarvoor zorg draagt. Verder is volgens de minister niet gebleken dat eiser zorg heeft voor andere directe familie. Op zitting licht de minister toe dat de door eiser gestelde verleende zorg aan zijn 81-jarige moeder in Kaapverdië niet met documenten is onderbouwd.

Deze beroepsgrond slaagt: er is niet voldaan aan de vereisten om te kunnen afzien van de hoorplicht op grond van artikel 7:3, aanhef en sub b, van de Awb. Op grond van deze bepaling kan een bestuursorgaan afzien van het horen van de bezwaarmaker indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit vaste rechtspraak volgt dat van een kennelijk ongegrond bezwaar sprake is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Als de minister concludeert tot een kennelijk ongegrond bezwaar omdat nog niet alle relevante informatie is overgelegd of omdat er zaken onduidelijk zijn, moet er in beginsel worden gehoord. Hierbij is relevant of expliciet is verzocht om een hoorzitting en of daarbij is aangegeven welk concreet belang eiser daarbij heeft. Ook geldt dat naarmate eiser meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te krijgen en daarover hebben gecommuniceerd met de minister, hij eerder zal moeten worden uitgenodigd voor een hoorzitting.

De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar ter onderbouwing van de economische binding nadere informatie en bewijsstukken heeft verstrekt. Hieronder bevindt zich een verklaring van TUI Portugal waarin wordt vermeld dat eiser op freelancebasis diensten verricht en TUI voornemens is de samenwerking voort te zetten. Ook heeft eiser verloningsspecificaties van TUI Portugal overgelegd en nieuwe bankafschriften waarop het loon is gestort. Uit het bestreden besluit blijkt dat minister deze onderbouwing niet voldoende vindt. Uit de conclusies van de minister blijkt echter vooral dat sprake is van vragen en onduidelijkheden. Zo stelt de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt dat hieruit niet volgt dat eiser in Kaapverdië op duurzame basis werkzaam is. Op zitting voegt de minister hieraan toe dat de economische binding bij een laag betaalde baan kleiner is dan bij een hoog betaalde baan. De stelling van de minister dat het verrichten van diensten op freelancebasis niet maakt dat er sprake is van economische binding, omdat de diensten ieder moment onderbroken kunnen worden, acht de rechtbank te algemeen. De minister had hierover tijdens een hoorzitting nadere vragen kunnen en moeten stellen.

De rechtbank stelt ook vast dat – anders dan de minister op zitting stelt – eiser in bezwaar ten aanzien van de sociale binding naar voren heeft gebracht dat de 81-jarige moeder van eiser, zijn zus en zijn oudste zoon in Kaapverdië wonen. Ook heeft eiser naar voren gebracht dat hij zijn moeder verzorgt en financieel ondersteunt. De minister is hieraan in het bestreden besluit ten onrechte voorbij gegaan is. De minister stelt in het bestreden besluit alleen dat eiser ongehuwd is en drie in Nederland woonachtige kinderen heeft en dat niet is gebleken dat eiser zorg heeft voor andere directe familieleden. Op zitting voegt de minister hieraan toe dat eiser dit niet nader heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister gelet op deze bezwaargronden aanleiding moeten zien eiser hierover een aanvullende toelichting te vragen bij een hoorzitting.

Daar komt bij dat eiser in bezwaar veel stukken heeft overgelegd en aan de minister heeft gevraagd te berichten waar nog onduidelijkheid over bestaat en eiser ook enige malen heeft aangeboden een waarborgsom te betalen. Naast deze waarborgsom heeft eiser ook aangeboden mee te werken aan een meldplicht, borgstelling of bewaring. De minister is in het bestreden besluit in zijn geheel hier niet op ingegaan. Hoewel een waarborgsom niet in de plaats kan treden van het voldoen aan de in de Visumcode gestelde voorwaarden, kan een waarborgsom in gevallen waarin er wel de nodige binding met het land van herkomst bestaat, maar erover wordt getwijfeld of die binding wel sterk genoeg is, wellicht net die extra zekerheid bieden om een tijdige terugkeer voldoende gewaarborgd te achten. Ook deze omstandigheden leiden ertoe dat de minister niet had mogen afzien van horen in bezwaar.

De andere beroepsgronden tegen de afwijzing van de aanvraag.

7. Zoals onder 5 blijkt heeft de minister ten onrechte afgezien van het horen van eiser in bezwaar. Gelet op wat eiser in zijn gronden naar voren heeft gebracht kan de uitkomst van de hoorzitting mogelijk van invloed zijn op het standpunt van de minister over het doel van het voorgenomen verblijf en over het vestigingsgevaar. Dit oordeel maakt dat de andere beroepsgronden niet meer besproken hoeven te worden. De rechtbank gaat daarom nu niet in op wat eiser naar voren heeft gebracht over het doel van zijn verblijf en zijn sociale en economische binding met Kaapverdië.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser is niet-ontvankelijk. Hoewel eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, heeft eiser recht op een vergoeding van zijn proceskosten. Het beroep is namelijk terecht ingediend. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt voor het indienen van het beroep wegingsfactor 0.5 gehanteerd.

Het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit is gegrond, omdat in de bezwaarfase in strijd met artikel 7:3 van de Awb is afgezien van het horen van eiser. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. De rechtbank ziet geen grond om zelf in de zaak te voorzien, omdat de hoorzitting wellicht tot een ander besluit van de minister kan leiden (zie onder 6).

Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt € 1.814. De vergoeding bedraagt in totaal € 2.267,50.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.P.C.G. Derksen

Griffier

  • mr. C.G.H. van der Holst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?