RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24411
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R. Achttienribbe),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag en zijn verzoek om heroverweging.
Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. Hij heeft op 16 april 2024 een opvolgende asielaanvraag en een verzoek om heroverweging ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 mei 2025 de aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft met het bestreden besluit ook het verzoek om heroverweging afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Okorie als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Risico bij terugkeer
Beoordelingskader
Eerdere asielaanvragen
1. Eiser heeft voor het eerst in Nederland asiel aangevraagd op 8 januari 2019. Deze asielaanvraag heeft de minister met het besluit van 16 januari 2019 niet in behandeling genomen, omdat Italië daarvoor verantwoordelijk was. Eiser is vervolgens niet tijdig overgedragen aan Italië, waardoor Nederland verantwoordelijk is geworden.
2. Op 19 augustus 2020 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat hij onder leiding van de groepering Indigenous People of Biafra (IPOB) heeft meegedaan aan protesten, en dat hij wordt gezocht door de Nigeriaanse politie vanwege vermeende betrokkenheid bij de ontvoering van politieke mensen. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 januari 2021 afgewezen als ongegrond. De minister achtte niet geloofwaardig dat eiser wordt gezocht door de
Nigeriaanse politie. De minister achtte wel geloofwaardig dat eiser heeft meegedaan aan protesten van IPOB, maar volgens de minister betekent dat niet dat eiser bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Dit besluit staat in rechte vast met de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 16 juli 20211 en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 augustus 2021.
Huidige asielaanvraag
3. Eiser legt aan zijn huidige asielaanvraag en het verzoek om heroverweging ten grondslag dat hij lid is van de Nederlandse afdeling van IPOB. Hij doet onder andere mee aan demonstraties, bezoekt bijeenkomsten, deelt informatie op sociale media en betaalt contributie. Eiser wil bij terugkeer naar Nigeria zijn activiteiten voor IPOB voortzetten, en vreest daarom voor de Nigeriaanse autoriteiten. Eiser heeft bij zijn asielaanvraag verschillende documenten overgelegd om zijn activiteiten in Nederland te onderbouwen. Ook heeft eiser een onderzoeksrapport van Together Psychologie overgelegd, waarin is vastgesteld dat hij een zeer laag intelligentieniveau heeft. Omdat daarmee volgens eiser onvoldoende rekening is gehouden bij zijn eerdere asielaanvraag, vindt eiser dat het afwijzende besluit in die eerdere procedure heroverwogen moet worden.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
5. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser (net als in de vorige procedure) geloofwaardig. De minister acht ook het lidmaatschap van IPOB en deelname aan activiteiten in Nederland geloofwaardig.
Volgens de minister heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn lidmaatschap en activiteiten voor IPOB te vrezen heeft voor de Nigeriaanse autoriteiten. De minister merkt daarover op dat in de vorige procedure is geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de Nigeriaanse autoriteiten van zijn activiteiten op de hoogte zijn, en dat hij in de negatieve belangstelling staat. Verder heeft eiser (in deze procedure) niet aangetoond dat hij vanwege zijn deelname aan protesten, bijeenkomsten of sociale media uitingen in Nederland in de negatieve belangstelling staat. Uit de landeninformatie blijkt namelijk niet dat alle IPOB-leden gemonitord worden en er zijn geen concrete indicaties dat eiser gemonitord wordt (dat is enkel gebaseerd op vermoedens van eiser). Wat betreft de activiteiten die eiser bij terugkeer wil voortzetten, merkt de minister op dat eiser een marginale rol heeft bij de demonstraties en geen hoog profiel heeft. Slechts leden van IPOB die zich inlaten met geweld en criminele activiteiten zouden in het oog lopen bij de Nigeriaanse politiediensten. De minister wijst daartoe op publicaties van de Immigration and Refugee Board of Canada (IRB) van 10 november 20162 en 2 juni 20223. Volgens de minister is de aandacht met name gericht op IPOB-aanhangers met een hoog profiel. Dat er
1. NL21.1119 (niet gepubliceerd).
2 https:// [internetsite 3] .
3 https:// [internetsite 3] .
willekeurig geweld plaatsvindt bij IPOB-demonstraties is niet voldoende om aan te nemen dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging. De minister concludeert dat de asielaanvraag van eiser wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verder wijst de minister het verzoek om heroverweging af. Er is niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser liep tijdens de vorige asielprocedure namelijk ook al bij een psycholoog, en had toen een rapport kunnen indienen. Toepassing van artikel 4:6 van de Awb is volgens de minister ook niet evident onredelijk, onder andere omdat het rapport van Together Psychologie niet specifiek ingaat op de invloed van het lage intelligentieniveau op de eerdere verklaringen.
Referentiekader
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader, namelijk dat hij nauwelijks scholing heeft gehad en een zeer laag intelligentieniveau heeft.
7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag blijkt dat rekening is gehouden met het referentiekader van eiser, onder andere door vragen uit te leggen en opnieuw te stellen (p. 5 en 17) en daarbij beeldspraak te gebruiken (p. 19). Verder heeft de minister terecht gewezen op p. 7 van het voornemen, waar het intelligentieniveau van eiser is betrokken: dat de beperkte verantwoordelijkheid van eiser met zijn intelligentieniveau te maken zou hebben, doet volgens de minister niet af aan de conclusie dat eiser slechts een marginale rol heeft vervuld binnen IPOB. Verder heeft de gemachtigde van de minister op de zitting toegelicht dat het intelligentieniveau van eiser minder in de motivering naar voren komt, omdat de asielmotieven geloofwaardig zijn geacht (en er dus niet bijvoorbeeld tegenstrijdigheden worden tegengeworpen). Er is vooral gekeken naar landeninformatie, en minder naar de verklaringen van eiser. De rechtbank kan deze toelichting volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het lidmaatschap van eiser van IPOB en de activiteiten van eiser in Nederland (die hij in Nigeria wil voortzetten) onvoldoende zijn om aan te nemen dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. De beroepsgrond van eiser op dit punt, slaagt wel. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.
Uit het arrest S en A van 21 september 2023 van het Hof van Justitie van de Europese Unie4 volgt dat de autoriteiten een uitputtend en grondig onderzoek moeten verrichten naar alle relevante omstandigheden met betrekking tot de specifieke persoonlijke situatie van de vreemdeling en van de meer algemene context van zijn land van herkomst, teneinde vast te stellen of de vreemdeling een gegronde vrees heeft om persoonlijk te worden vervolgd wegens zijn politieke overtuiging. Uit het Informatiebericht 2024/10 blijkt dat de vreemdeling (in het kader van het onderzoek naar het risico bij terugkeer) in het gehoor bevraagd moet worden over welke activiteiten hij bij terugkeer wil verrichten of hoe
4 ECLI:EU:C:2023:688.
hij anderszins zijn opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn.
Monitoring in het buitenland
Wat betreft de activiteiten van eiser in Nederland heeft de minister onder andere geloofwaardig geacht dat eiser bij de protesten van IPOB een vlag draagt en mensen aanspreekt, heeft gedemonstreerd bij de Nigeriaanse ambassade en vaag herkenbaar op een foto staat op de Facebookpagina van [internetsite 1] . De minister volgt echter niet dat eiser hierdoor (al) in de negatieve belangstelling staat van de Nigeriaanse autoriteiten. De minister heeft er daarbij onder andere op gewezen dat uit het Algemeen ambtsbericht Nigeria van januari 2023 en informatie van UK Home Office van maart 20225 niet blijkt dat IPOB-activisten in Europa of Nederland gevolgd of stelselmatig gemonitord worden. De door eiser aangehaalde informatie van IRB van 2 juni 20226 leidt volgens de minister niet tot een ander oordeel. De MASSOB-coördinator die daarin wordt aangehaald (die verklaart dat alle IPOB-leden die in het buitenland wonen worden gemonitord, en dat zij bij terugkeer op de luchthaven worden geconfronteerd met een lijst waarop hun namen staan) is volgens de minister niet zonder meer objectief. Ook wordt er gesproken over de arrestatie van leider [naam] , maar dat was een uiterst prominent figuur, anders dan eiser. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit de informatie van IRB van 2 juni 2022 blijkt dat ook de universitair hoofddocent heeft aangegeven dat het voor de Nigeriaanse regering heel makkelijk is geweest om de activiteiten van IPOB-leden te monitoren en de bron van hun financiering te achterhalen. Vanwege het gemak waarmee ze konden monitoren, was het mogelijk hun leider [naam] na zijn vertrek uit Groot-Brittannië te arresteren. Daar staat tegenover dat de journalist uitlegde dat de Nigeriaanse regering niet over voldoende middelen beschikt om IPOB-leden die niet langer in Nigeria wonen, op te sporen en te monitoren. De informatie van IRB laat dus geen eenduidig beeld zien. Dat betekent echter niet dat de minister zonder meer uit mag geen van de verklaring van de journalist dat er weinig / geen monitoring in het buitenland plaatsvindt. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat eiser in beroep heeft verwezen naar een artikel van Vanguard van 28 maart 20247. Daaruit blijkt dat de Nigerian Financial Intelligence Unit (NFIU) 27 “cellen” heeft ontdekt die behoren tot IPOB in 22 landen over de hele wereld, waaronder de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk en Noord-Ierland. De rechtbank acht het daarom niet onaannemelijk dat er ook in Nederland enige monitoring van IPOB plaatsvindt. Dat maakt de kans groter dat eiser al in de negatieve belangstelling staat.
Risico bij voortzetten activiteiten
Bovendien heeft eiser terecht gesteld dat, als hij in Nigeria zijn activiteiten zou vervolgen, uit de landeninformatie blijkt dat hij dan (alsnog) in de negatieve belangstelling zou kunnen komen te staan. In het bestreden besluit is opgenomen dat eiser heeft verklaard dat hij bij terugkeer naar Nigeria mensen zou gaan vertellen over Biafra, en dat als er weer protesten zijn, hij daar ook aan zou deelnemen. Daarbij is verwezen naar p. 21 van het gehoor opvolgende aanvraag. Daar verklaart eiser onder andere: “Ik ga nog steeds lid zijn van IPOB. Als iets wordt gedaan dan ga ik met de vlag van Biafra lopen. Nu is onze leider vast maar als de leider naar de rechtbank moet dan ga ik in Nigeria naar de rechtbank toe
5 https:// [internetsite 4] .
6 https:// [internetsite 3] .
7 https:// [internetsite 2] .
om daar te protesteren voor zijn vrijlating.” De rechtbank kan de minister niet volgen in zijn standpunt dat deze activiteiten te marginaal zijn om aan te nemen dat eiser risico loopt bij terugkeer. De minister heeft verwezen naar publicaties van IRB van 10 november 20168 en 2 juni 20229, waaruit zou volgen dat slechts leden van IPOB die zich inlaten met geweld en criminele activiteiten in het oog lopen bij de Nigeriaanse politiediensten. De minister baseert zich dan op de verklaring van een journalist in het artikel van 2 juni 2022. Uit het artikel blijkt echter duidelijk dat deze verklaring tegenstrijdig is aan de informatie van Amnesty International en de MASSOB-coördinator die daarvóór is aangehaald. De minister heeft op de zitting ook verwezen naar de risicoanalyse in het rapport van EASO van oktober 2021. Op p. 66 van het rapport staat: ‘The individual assessment of whether there is a reasonable degree of likelihood for the applicant to face persecution should take into account risk-impacting circumstances, such as: level and nature of involvement, visibility of the applicant (e.g. high profile, prior arrest, media appearance), participation in gatherings or manifestations, etc.’ Hieruit kan de rechtbank echter ook niet afleiden dat alleen personen met een hoger profiel gevaar lopen. Eiser zou in Nigeria immers ook willen deelnemen aan protesten, en dat wordt ook als relevante omstandigheid genoemd. Bovendien heeft eiser verwezen naar landeninformatie, waaruit blijkt dat ook personen die er enkel van worden verdacht lid te zijn van IPOB problemen ondervinden. Eiser heeft bijvoorbeeld verwezen naar het jaarrapport van Amnesty International van 24 april 2024, waarin melding wordt gemaakt van een echtpaar dat is meegenomen uit hun huis in [plaats] vanwege vermeend lidmaatschap van IPOB. Ook heeft eiser verwezen naar het rapport “Country Guidance: Nigeria” van EASO van oktober 2021. Op p. 65 van dat rapport staat onder andere: “The Nigerian authorities tend to respond to MASSOB and IPOB meetings and demonstrations in the same way, including through arbitrary arrests, extrajudicial killings, harassment, discrimination, etc. In 2020 and 2021, the Nigerian government has been deliberately targeting persons suspected to be IPOB members. (…) Supporting separatist movements, including by displaying Biafra symbols, such as flags and other insignia, could reportedly lead to arrest and ill-treatment.” De minister heeft hierover in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat dit slechts constateringen betreft over de algemene situatie in Nigeria. Er wordt niet ontkend dat er geweld plaatsvindt, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat híj in de negatieve aandacht zal komen te staan. Naar het oordeel van de rechtbank is deze beoordeling niet in overeenstemming met het arrest S en A. Daaruit volgt immers dat de minister de algemene context in het land van herkomst dient te betrekken.
Dat uit de landeninformatie blijkt dat er geweld plaatsvindt tegen (vermeende) IPOB-leden
en dat het dragen van een Biafra-vlag kan leiden tot arrestatie en mishandeling, is dus wel degelijk relevant voor iemand met het profiel van eiser. Verder heeft eiser in beroep onder andere verwezen naar het jaarrapport van US Department of State (USDOS) over Nigeria van 12 augustus 202510, het rapport “Nigeria: A decade of impunity: Attacks and unlawful killings in South-East Nigeria” van augustus 2025 en informatie van Refugee Documentation Centre van 20 februari 202511. Daaruit blijkt dat sprake is van verdwijningen, waarbij sommige slachtoffers verdacht werden van betrokkenheid bij IPOB, en van massale willekeurige arrestaties. De minister heeft op de zitting opgemerkt dat deze bronnen inderdaad het geweld bij de onafhankelijkheidsstrijd voor Biafra onderstrepen, maar dat eiser daarmee zijn individuele vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft de minister op de zitting desgevraagd bevestigd dat ook als uit de bronnen volgt dat
8 https:// [internetsite 3] .
9 https:// [internetsite 3] .
10 https:// [internetsite 5] .
11 https:// [internetsite 3] .
willekeurige niet-prominente IPOB-leden vervolgd worden, eiser dan alsnog aannemelijk moet maken dat hij daaronder valt. De rechtbank kan dat niet volgen, gelet op het beoordelingskader uit het arrest S en A dat hiervoor is geschetst. De minister acht de politieke overtuiging van eiser geloofwaardig, en dat betekent dat de minister ook een onderzoeksplicht heeft en gemotiveerd moet ingaan op de landeninformatie. De minister heeft hier onvoldoende (kenbaar) aan voldaan.
Heroverweging
9. Eiser voert aan dat de minister zijn verzoek om heroverweging van de afwijzing van de vorige asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen. In de eerdere procedure tijdens de gehoren en in de besluitvorming is volgens hem geen of onvoldoende rekening gehouden met zijn lage intelligentieniveau. Eiser liep inderdaad al bij een psycholoog, maar het was toen nog niet duidelijk dat hij een laag intelligentieniveau had. Eiser had hiermee ook niet zelf kunnen komen in de gesprekken. Verder is het niet relevant dat bij het onderzoek in het kader van het horen en beslissen niets is vastgesteld, omdat dit onderzoek maar beperkt is. Volgens eiser was er dus aanleiding om hem alsnog te vragen over de aspecten die in de vorige procedure aan de orde zijn gekomen.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel in de vorige procedure het lage intelligentieniveau van eiser niet bekend was, blijkt uit de gehoren dat de hoormedewerker vragen heeft gesteld om na te gaan of hij eiser goed begrijpt (p. 10) en vragen nader heeft toegelicht (p. 14, 15 en 20). Verder heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat het vorige besluit anders geweest zou zijn als het lage intelligentieniveau van eiser was betrokken. Los van de vraag of eiser het rapport van de psycholoog eerder had kunnen/moeten inbrengen, is het eerder genomen besluit daarom niet evident onrechtmatig.12 Dat eiser opnieuw bevraagd had moeten worden naar de aspecten die in de vorige procedure aan de orde zijn gekomen, volgt de rechtbank dus ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
11. Gelet op wat in r.o. 8 t/m 8.3 is overwogen, heeft de minister de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
12 Zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1432, r.o. 4.2.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 september 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.