RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60604
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
Procesverloop
1. De minister heeft op 27 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste
beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 11 juli 2025. Op het eerste vervolgberoep heeft zij beslist met haar uitspraak van 9 september 2025. Op het tweede vervolgberoep heeft zij beslist met haar uitspraak van 10 november 2025.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 8 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, vanwege een belangenafweging.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 17 december 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Toetsingskader
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Uit de uitspraak van 10 november 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 6 november 2025) tot aan de opheffing rechtmatig is.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
4. Eiser betoogt dat de minister sinds de uitspraak van 10 november 2025 geen acties heeft ondernomen, daardoor handelt de minister onvoldoende voortvarend.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op 27 november 2025 schriftelijk gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten op de status van de aanvraag om een laissez-passer en heeft op 17 november 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank handelt de minister hiermee voldoende voortvarend.
Bestond zich op uitzetting naar Egypte?
5. Eiser betoogt dat de bewaring dient ter fine van uitzetting en dat de minister daarom aan moet geven binnen welke termijn eiser uitgezet kan worden. Eiser heeft namelijk ook aangegeven dat hij alle medewerking zal verlenen aan zijn uitzetting. Gelet hierop bestaat geen zicht op uitzetting.
De beroepsgrond slaagt niet. In het algemeen bestaat zicht op uitzetting naar Egypte en uit het dossier blijkt dat de minister meermaals contact heeft gehad met de Egyptische vertegenwoordiger. In dit contact is aan de Egyptische autoriteiten ook medegedeeld dat eiser vrijwillig wil terugkeren naar Egypte en dat hij beschikt over een kopie van zijn geboorteakte. De minister heeft voor het laatst op 15 november 2025 de zaak van eiser voorgelegd om te bezien of aanvullende informatie of documenten verkregen kunnen worden en hij was in afwachting van een reactie. Hieruit valt op te maken dat de Egyptische autoriteiten niet te kennen hebben gegeven dat geen laissez-passer voor eiser zal worden verstrekt. Dat de minister concreet aan dient te geven wanneer eiser uitgezet kan worden, volgt de rechtbank niet. Aan de minister mag namelijk tijd gegund worden om de uitzetting van eiser te plannen, waarbij de minister ook afhankelijk is van de Egyptische autoriteiten.
Had de minister de belangenafweging eerder in het voordeel van eiser moeten laten uitvallen?
6. Eiser betoogt dat de minister eerder dan op 8 december 2025 de belangenafweging in zijn voordeel had moeten laten uitvallen en de bewaring daarom eerder had moeten opheffen. Uit de voortgangsrapportage blijkt namelijk dat de zaak van eiser al op 22 oktober 2025 is opgeschaald bij de Egyptische autoriteiten en dat heeft niet geleid tot enig resultaat.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister op de juiste manier de belangenafweging heeft gemaakt. Volgens het beleid van de minister is hij na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. Eiser verblijft sinds 13 juni 2025 in bewaring op verschillende grondslagen. De minister heeft op 8 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, vanwege een belangenafweging. Op dat moment zat eiser bijna zes maanden in bewaring. Dat deze handelswijze onrechtmatig is, zoals eiser lijkt te stellen, kan de rechtbank dan ook niet volgen. In beginsel komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Eiser heeft echter dergelijke bijzondere omstandigheden niet naar voren gebracht. Het enkele feit dat ‘zijn zaak’ op 22 oktober 2025 is opgeschaald, wat daar ook van zij, is hiervoor onvoldoende. Uit de voortgangsrapportage blijkt immers dat de minister op 14 november 2025 nog contact heeft gehad met de Egyptische vertegenwoordiger, waarna de zaak van eiser op 15 november 2025 nog is voorgelegd aan de European Return Liaison Officer (EURLO). De minister mag enige tijd gegund worden om een reactie daarop af te wachten, waardoor naar het oordeel van de rechtbank om die reden niet eerder een belangenafweging gemaakt had hoeven te worden.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.