ECLI:NL:RBDHA:2025:24758

ECLI:NL:RBDHA:2025:24758, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, NL24.7779 en NL24.9331

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 24-12-2025
Zaaknummer NL24.7779 en NL24.9331
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

tijdelijke bescherming, Oekraïne, terugkeerbesluiten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.7779 en NL24.9331

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),

en

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft geëindigd en per die datum een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser bij besluit van 23 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (NL23.26769). Ook heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL23.26770). Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 23 augustus 2023 ingetrokken. Diezelfde dag heeft eiser het beroep ingetrokken. Op 8 april 2024 heeft eiser het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.

Tegen het besluit van 23 augustus 2023 was dubbel beroep ingesteld (NL23.26632) en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan (NL23.26634). Mr. M.E.M. Jacquemard, destijds de gemachtigde van eiser, heeft op 8 september 2023 het beroep ingetrokken. Op 18 september 2023 is het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.

Op 7 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Hiertegen heeft mr. A. Kurt Gecoglu, destijds de gemachtigde van eiser namens eiser op 28 februari 2024 beroep ingesteld (NL24.7779) en heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL24.7780). Tegen dit nieuwe terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft mr. I. Petkovski op 6 maart 2024 ook beroep namens eiser ingesteld (NL24.9331) en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL24.9332).

Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek met zaaknummer NL24.7780 toegewezen en bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep. De rechtbank heeft mr. I. Petkovski daarom per brief van 5 april 2024 gevraagd of hij het dubbele ingediende verzoek om voorlopige voorziening (NL24.9332) handhaaft gezien het andere verzoek al is toegewezen. Diezelfde dag is het verzoek om voorlopige voorziening door de betreffende gemachtigde ingetrokken.

Bij besluit van 29 juli 2025 heeft de minister eiser, in de zaak met zaaknummer NL24.9331, meegedeeld dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Hiertegen heeft mr. I. Petkovski namens eiser op 18 augustus 2025 aanvullende gronden gericht.

Op 8 oktober 2025 heeft de rechtbank mr. A. Kurt-Gecoglu erop geattendeerd dat door twee verschillende gemachtigden beroep is ingesteld tegen hetzelfde terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Op 28 februari 2024 is beroep ingesteld door mr. A. Kurt-Gecoglu en op 6 maart 2024 is beroep ingesteld door mr. I. Petkovski. De rechtbank heeft hierbij aangegeven dat het de voorkeur heeft als één gemachtigde beide zaken op zich neemt. Op 8 oktober heeft mr. I. Petkovski gereageerd en aangegeven dat hij zaaknummer NL24.7779 eerder al heeft overgenomen, maar zich kennelijk niet had gesteld. Dit betrof een misverstand. Dat maakt dat mr. I. Petkovski zowel in het beroep met zaaknummer NL24.7779 als het beroep met zaaknummer NL24.9331 optreedt als gemachtigde.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen

3. Eiser komt uit Algerije. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 23 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 23 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft dit besluit ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. In een brief van 7 februari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024.

De minister heeft op 7 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser tweemaal beroep ingesteld.

Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.

Bij besluit van 29 juli 2025 heeft de minister eiser medegedeeld dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken en is vervangen door een nieuw terugkeerbesluit.

Beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. De minister heeft het prematuur genomen terugkeerbesluit van 7 februari 2024, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, vervangen door het terugkeerbesluit van 29 juli 2025. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij toch een belang heeft bij het tegen het besluit van 7 februari 2024 gerichte beroep. Daarom is het beroep met zaaknummer NL24.7779 in zoverre niet-ontvankelijk.

Is de tijdelijke bescherming van eiser op 4 maart 2024 beëindigd?

5. In het besluit van 29 juli 2025 staat dat de minister het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging, als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, van het eerdere terugkeerbesluit. De rechtbank zal hierna de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden bespreken.

6. Eiser heeft beroepsgronden gericht tegen het nieuwe terugkeerbesluit van 29 juli 2025. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, op het standpunt heeft gesteld dat hij per 4 maart 2024 geen tijdelijke bescherming meer heeft en daarom een terugkeerbesluit kan worden opgelegd. In het arrest Kaduna heeft het Hof van Justitie de verwijzende rechter opgedragen om na te gaan of de minister een toezegging heeft gedaan dat de facultatieve tijdelijke bescherming niet eerder kan eindigen dan de tijdelijke bescherming van verplichte groepen, maar de Afdeling is hierop in de uitspraak van 23 april 2025 niet ingegaan. Ook staat het evenredigheidsbeginsel volgens eiser in de weg aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming. Daarnaast betoogt eiser dat hij, gelet op de bevriezingsmaatregel, tot 4 september 2025 nog tijdelijke bescherming had, zodat het terugkeerbesluit prematuur is.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In deze uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan was bereikt. De Afdeling heeft overwogen dat geen reden bestaat om op dit punt tot een ander oordeel te komen. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling daarnaast nog geoordeeld dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. Dat de Afdeling in het kader van het vertrouwensbeginsel slechts zou zijn ingegaan op de maximale duur en niet de gelijkstelling met andere ontheemden, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank dus niet. De rechtbank verwijst verder nog naar haar eerdere uitspraak van 1 november 2023. De beroepsgrond slaagt in zoverre dus niet.

Dat het evenredigheidsbeginsel in de weg staat aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 volgt de rechtbank ook niet. De minister stelt terecht dat voor een individuele belangenafweging geen plaats is. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister heeft daarom terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en de uitspraak van deze zittingsplaats van 28 maart 2024.

Het betoog dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen, gelet op de bevriezingsmaatregel van de minister om de tijdelijke bescherming pas feitelijk vanaf 4 september 2025 te beëindigen, slaagt ook niet. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiser daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt echter niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat een betrokkene nog feitelijk mag gebruikmaken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had. Dit is niet meer dan een (tijdelijke) opschorting. De rechtbank verwijst ter vergelijking in dit verband naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet maakt dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn.

SIS-signalering

7. Eiser betoogt dat er geen reden is om een terugkeerbesluit met SIS-melding op te leggen. Eiser heeft geen regels overtreden en eerdere terugkeerbesluiten zijn vernietigd.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/1860 voeren de lidstaten in het SIS signaleringen in van onderdanen van derde landen tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en om de tenuitvoerlegging van terugkeerbesluiten te ondersteunen. Wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, wordt onverwijld een signalering inzake terugkeer in het SIS ingevoerd.

De rechtbank stelt vast dat in deze bepaling dwingend is voorgeschreven dat de lidstaten verplicht zijn een betrokkene tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd te signaleren in het SIS. Daarom was de minister verplicht om in het geval van eiser het terugkeerbesluit te registreren. In wat eiser hiertegen aanvoert ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. De stelling van eiser dat hij geen regels heeft overtreden neemt niet weg dat de minister (terecht) een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Anders dan eiser verder betoogt, zijn geen eerdere terugkeerbesluiten vernietigd. De rechtbank merkt tot slot nog op dat de SIS-registratie verdwijnt nadat eiser heeft voldaan aan zijn terugkeerplicht.

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 juli 2025 ongegrond.

Beroep met zaaknummer NL24.9331

9. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat het beroep met zaaknummer NL24.7779 tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk is. Het beroep met zaaknummer NL24.9331 is ook ingediend tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Dit dubbel ingediende beroep was niet nodig. De rechtbank zal daarom geen uitspraak doen op dit beroep.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 29 juli 2025, is ongegrond.

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907, bestaande uit een punt voor het indienen van de gronden in het beroep tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024, met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 juli 2025 ongegrond;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay-Cenik, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?