ECLI:NL:RBDHA:2025:24765

ECLI:NL:RBDHA:2025:24765, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, NL25.58190

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 24-12-2025
Zaaknummer NL25.58190
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring - beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.58190

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Op 9 december 2025 heeft de behandeling van het beroep geen doorgang gevonden. Op 10 december 2025 heeft de rechtbank alsnog een aanvang met het gehoor gemaakt en het onderzoek geschorst.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op 16 december 2025 op zitting voortgezet. Eiser is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Is eiser tijdig gehoord door de rechtbank?

1. Eiser voert aan dat hij ten onrechte niet is gehoord binnen de termijn van artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000. Een telefoongesprek zonder een tolk voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden.

De rechtbank overweegt als volgt. De behandeling van het beroep stond initieel op 9 december 2025 gepland. Die behandeling kon niet plaatsvinden wegens problemen bij Justitieel Complex Schiphol (JCS). Op het tijdstip dat het beroep zou worden behandeld, bleek dat op het JCS geen personeel aanwezig was, waardoor geen videoverbinding met eiser tot stand kon worden gebracht. Op 10 december 2025 heeft de rechtbank via een audioverbinding een aanvang met de zitting gemaakt. De inhoudelijke behandeling van het beroep heeft vervolgens plaatsgevonden op 16 december 2025. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven niet aanwezig te kunnen zijn op die zitting, maar heeft bij bericht van 10 december 2025 de beroepsgronden schriftelijk ingediend.

De rechtbank heeft, gezien de hiervoor weergegeven gang van zaken, op 10 december 2025, de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift, tijdig een aanvang gemaakt met het door artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 voorgeschreven onderzoek ter zitting. Gelet hierop en nu is gebleken dat eiser binnen een redelijke termijn alsnog in persoon kon worden gehoord, namelijk op 16 december 2025, ziet de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat eiser niet tijdig is gehoord. De beroepsgrond slaagt niet.

Is eiser volgens de juiste grondslag in bewaring gesteld?

2. Eiser voert aan dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld nu hij al zes maanden op grond van artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring heeft gezeten. Omdat hij zijn eerste asielaanvraag heeft ingediend en er sprake is van zwaarwegende asielgronden, kon hij in redelijkheid niet in bewaring worden gesteld met de stelling dat de maatregel noodzakelijk is voor het verkrijgen van noodzakelijke gegevens.

De rechtbank overweegt als volgt. Eiser is op 8 juni 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat eiser op 26 november 2025, een dag voor zijn geplande uitzetting van 27 november 2025, een asielaanvraag heeft ingediend. Omdat eiser een asielaanvraag heeft ingediend, is de maatregel van bewaring opgeheven en omgezet op 26 november 2025. De grondslag van de nieuwe maatregel van bewaring betreft artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Eiser heeft op 12 december 2025 een afwijzende beslissing ontvangen op zijn asielaanvraag, maar heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser volgens de juiste grondslag in bewaring gesteld, nu ook uit artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 blijkt dat omzetting niet vereist is indien eiser beroep heeft ingesteld tegen de afwijzingsbeslissing van de minister. De beroepsgrond slaagt niet.

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?

3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De minister heeft zware grond 3a op de zitting laten vallen.

De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3d en 3g feitelijk juist zijn en is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Volgens vaste jurisprudentie mag de minister ten aanzien van deze gronden volstaan met een toelichting die laat zien dat de grond zich feitelijk voordoet. De zware grond 3d is feitelijk juist, omdat eiser niet in staat is enig document ter staving van zijn gestelde nationaliteit en identiteit te overleggen. Eiser heeft geen aantoonbare activiteiten ondernomen om zich alsnog in het bezit te stellen van een identiteitsdocument. Door het ontbreken van identiteitsdocumenten en geen activiteiten te ondernemen om die alsnog te verkrijgen blijkt dat eiser niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit. Ook is na raadpleging van de Basis Voorziening Vreemdelingen gebleken dat eiser bekend is onder meerdere aliassen. Hiermee toont eiser aan geen medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. De zware grond 3g is feitelijk juist, nu eiser op 9 februari 2025 een valse identiteitskaart van Slovenië heeft getoond. Hierdoor is aannemelijk dat eiser deze valse identiteitskaart gebruikte om zich te onttrekken aan het toezicht. De zware gronden 3d en 3g zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Heeft de minister ten onrechte geen verzwaarde belangenafweging gemaakt?

4. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om een verzwaarde belangenafweging te maken toen eiser op 7 december 2025 zes maanden aaneengesloten in vreemdelingenbewaring zat.

Uit paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat de periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b van de Vw 2000 wordt betrokken bij de kenbare belangenafweging, die door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in de voortgangsrapportage (het Model M120) wordt gemaakt na zes maanden inbewaringstelling.

Uit het M120 formulier blijkt dat de minister op 4 december 2025 de verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt. Deze verzwaarde belangenafweging heeft naar het oordeel van de rechtbank in het voordeel van de minister mogen uitvallen. De minister heeft in de voortgangsrapportage als reden van de voortduring van de bewaringsmaatregel gegeven:

“De vreemdeling is ná de inbewaringstelling één of meerdere procedures ter verkrijging van een verblijfstitel gaan voeren met het kennelijke doel om de uitzetting dan wel de verkrijging van een reisdocument te belemmeren of frustreren//Ten aanzien van de vreemdeling bestaat een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat hij op korte termijn wordt verwijderd.”

De minister heeft dat ook deugdelijk gemotiveerd. Hij licht dit in de voortgangsrapportage namelijk als volgt toe:

“Er zijn geen (medische) omstandigheden naar aanleiding waarvan de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. Er zijn geen indicaties dat er sprake is van bijzondere (privé) omstandigheden. Er zijn geen indicaties dat de autoriteiten van Nigeria niet opnieuw zullen overgaan tot afgifte laissez-passer; er is zicht op uitzetting. Alle gronden om betrokkene in vreemdelingenbewaring te stellen zijn heden overeenkomstig van toepassing. Er is geen enkele aanleiding om te concluderen dat een lichter middel effectief toegepast kan worden; betrokkene werkt immers niet mee aan zijn terugkeer naar Nigeria.”

Gelet op het voorgaande heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank een deugdelijk gemotiveerde verzwaarde belangenafweging gemaakt wat volgt uit het voortgangsrapport. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Overige gronden

5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de inhoudelijk zwaarwegende asielaanvraag van eiser. Uit zijn asielrelaas blijkt duidelijk dat hij bij terugkeer voor zijn leven moet vrezen vanwege zijn geaardheid. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen claim heeft gelegd op Frankrijk, nu zijn echtgenote in Frankrijk verblijft.

Voor zover eiser aanvoert dat de minister bij het opleggen van de maatregel van bewaring rekening had moeten houden met de asielaanvraag van eiser, waartegen eiser thans beroep heeft ingesteld, oordeelt de rechtbank dat asielgronden in een bewaringsprocedure niet kunnen worden beoordeeld. Hetzelfde geldt voor de stelling van eiser dat de minister ten onrechte geen claim heeft gelegd op Frankrijk, omdat hij daar een echtgenote zou hebben. De rechtbank zal daarom verder niet ingaan op deze beroepsgronden.

Ambtshalve toets

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Göbel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.W.B. Heijmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?