ECLI:NL:RBDHA:2025:24771

ECLI:NL:RBDHA:2025:24771, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, NL24.13200

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 24-12-2025
Zaaknummer NL24.13200
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

tijdelijke bescherming, Oekraïne, terugkeerbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.13200

(gemachtigde: mr. L.I. Siers),

en

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft geëindigd en per die datum een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 21 februari 2024 heeft de minister een terugkeerbesluit genomen waarin aan eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. (NL24.13200) en heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL24.13201).

Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats dit verzoek toegewezen en bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep.

Bij besluit van 18 juli 2025 heeft de minister eiser meegedeeld dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Op 18 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank schriftelijk geïnformeerd dat namens eiser geen aanvullende gronden tegen het nieuwe terugkeerbesluit worden ingediend.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen

3. Eiser komt uit Algerije. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 17 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 17 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft dit besluit ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. In een brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024.

De minister heeft op 21 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser het onderhavige beroep ingediend.

Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.

Bij besluit van 18 juli 2025 heeft de minister eiser medegedeeld dat het oude terugkeerbesluit van 21 februari 2024 wordt ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit.

Beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024

4. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 21 februari 2024. De minister heeft het prematuur genomen terugkeerbesluit van 21 februari 2024, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, vervangen door het terugkeerbesluit van 18 juli 2025. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij toch een belang heeft bij het tegen het besluit van 21 februari 2024 gerichte beroep. Daarom is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk en behoeven de beroepsgronden van 2 april 2024 geen bespreking meer.

Beroep tegen het terugkeerbesluit van 18 juli 2025

Kwalificatie van het besluit van 18 juli 2025

5. In het besluit van 18 juli 2025 staat dat de minister het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging, als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, van het eerdere terugkeerbesluit. Eiser heeft tegen dit besluit tot vervanging geen gronden gericht. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat zich richt tot het vervangingsbesluit daarom ongegrond.

Conclusie

6. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 juli 2025 is ongegrond.

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907, bestaande uit een punt voor het beroep tegen het ingetrokken besluit van 21 februari 2024, met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juli 2025 ongegrond;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Y. Yeniay - Cenik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?