ECLI:NL:RBDHA:2025:24791

ECLI:NL:RBDHA:2025:24791, Rechtbank Den Haag, 23-06-2025, NL25.19908 en NL25.19909

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-06-2025
Datum publicatie 05-01-2026
Zaaknummer NL25.19908 en NL25.19909
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asiel. Beroep gegrond. afvalligheid en bekering atheisme ongeloofwaardig. motiveringsgebrek verweerder. toegedicht atheïsme niet voldoende beoordeeld.

Uitspraak

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.

Eiser heeft op 18 maart 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en L. Makaddam als tolk. De gemachtigde van verweerder is met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Eiser heeft op 14 januari 2020 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Nadat de overdrachtstermijn is verstreken en verweerder eisers (nieuwe) aanvraag in behandeling had genomen, heeft verweerder deze aanvraag bij besluit van 7 december 2020 kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep dat eiser tegen dit besluit heeft ingesteld is bij uitspraak van 16 maart 2021 gegrond verklaard en is het besluit vernietigd. Verweerder heeft eisers aanvraag bij besluit van 26 januari 2023 afgewezen als ongegrond. Dit besluit is in rechte vast komen te staan.

3. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat hij ongeveer tweeënhalf jaar geleden afvallig is geworden, dat hij sindsdien niet meer in God gelooft en atheïst is. Bij terugkeer naar Algerije vreest hij om problemen met de overheid te krijgen en om gediscrimineerd te worden.

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Verweerder beoordeelt of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Eiser heeft niet samenhangend en aannemelijk verklaard. Eiser koppelt zijn afvalligheid aan zijn eerder ongeloofwaardig geachte homoseksualiteit. Ook verklaart eiser ongerijmd over wanneer hij is begonnen te twijfelen aan de islam. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij ervan overtuigd is geraakt dat er geen God bestaat en waarom hij pas twee jaar geleden atheïst is geworden. Over zijn zoektocht naar het atheïsme heeft eiser ook oppervlakkig verklaard. Tevens heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en hij heeft daarvoor geen goede verklaring. Dat eiser uit Algerije komt is onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser de aanvraag alleen heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen. Ook is de aanvraag van eiser een opvolgende aanvraag, die niet niet-ontvankelijk is verklaard.

Wat vindt eiser in beroep?

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder vindt eisers afvalligheid en atheïsme ten onrechte niet geloofwaardig. Verweerder stelt ten onrechte dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom zijn verklaringen ongeloofwaardig zijn wat betreft de aanleiding voor zijn afvalligheid. Verweerder motiveert niet op welk punt eiser persoonlijker had kunnen verklaren. Verweerder heeft verder ondeugdelijk gemotiveerd waarom eiser niet inzichtelijk heeft verklaard over het moment waarop hij atheïst is geworden en zijn onderzoek naar het atheïsme. Daarnaast werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiser niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd. Verweerder had eerder onderzoek moeten doen naar dit asielmotief omdat eiser bij binnenkomst in het detentiecentrum heeft aangegeven niet gelovig te zijn en hij ook niet heeft meegedaan aan de ramadan. Verweerder heeft eisers aanvraag niet in overeenstemming met Werkinstructie 2022/3 beoordeeld nu verweerder niet is ingegaan op de onderdelen ‘activiteiten’, ‘kennis’ en ‘uiting’ en er ook geen weging van de elementen heeft plaatsgevonden. Ook is niet beoordeeld of eiser vreest voor vervolging vanwege toegedichte afvalligheid en toegedicht atheïsme. Ten onrechte heeft verweerder de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, waardoor verweerder eiser ten onrechte een vertrektermijn heeft onthouden en hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.

Herhaald en ingelast

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele verwijzing naar hetgeen eerder door hem is aangevoerd in de zienswijze, onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.

Geloofwaardigheid afvalligheid en bekering

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers afvalligheid en zijn bekering tot het atheïsme ongeloofwaardig zijn. Daarbij mocht verweerder tegenwerpen dat eiser zijn afvalligheid koppelt aan zijn gestelde homoseksualiteit terwijl in rechte is komen vast te staan dat verweerder eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Dat eiser aanvoert dat verweerder ten onrechte aan de correcties en aanvullingen en de zienswijze voorbij is gegaan omdat hij hierin heeft aangegeven dat dit niet de enige aanleiding is geweest voor zijn afvalligheid doet aan het voorgaande niet af. Eiser heeft namelijk niet betwist dat zijn homoseksualiteit een belangrijk motief voor zijn afvalligheid is geweest.

Ook mocht verweerder vinden dat eiser ongerijmd verklaart over wanneer hij begon te twijfelen aan de islam. Eiser verklaart tijdens het gehoor opvolgende aanvraag namelijk dat hij vanaf zijn achttiende of negentiende twijfels begon te krijgen over de islam en tijdens het aanvullende gehoor dat zijn twijfels begonnen toen hij ongeveer achtentwintig of zevenentwintig jaar was. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij er twee jaar geleden van overtuigd is geraakt dat er geen God bestaat. Verweerder heeft zijn verklaringen hierover oppervlakkig en algemeen mogen vinden. Eisers betoog dat hij al lang twijfels had maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser hiermee niet heeft verklaard waarom hij twee jaar geleden de stap heeft gemaakt om helemaal niet meer in het bestaan van God te geloven.

Verweerder heeft ook kunnen betrekken dat eiser niet duidelijk heeft verklaard over het onderzoek dat hij heeft gedaan naar het atheïsme. Verweerder mocht verwachten dat eiser uitgebreider kon verklaren over zijn onderzoek naar het atheïsme, nu hij stelt als gevolg hiervan te zijn afgestapt van zijn islamitische geloofsovertuiging.

Verweerder mocht verder aan eiser tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Dat eiser stelt dat hij ten tijde van het eerste besluit op zijn vorige aanvraag (7 december 2020) zichzelf nog niet beschouwde als atheïst leidt niet tot een andere conclusie. Eiser heeft tijdens het gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat hij ongeveer sinds twee of tweeënhalf jaar atheïst is. Dit betekent dat eiser zich ongeveer in de periode van september 2022 tot maart 2023 is gaan beschouwen als atheïst. Nu eisers hoger beroep in de vorige procedure ongegrond is verklaard bij uitspraak van 22 augustus 2024, had eiser daarna asiel kunnen aanvragen vanwege zijn afvalligheid en atheïsme. De rechtbank volgt eisers betoog niet dat verweerder al eerder onderzoek had moeten doen naar dit asielmotief omdat hij bij binnenkomst in het detentiecentrum zou hebben aangegeven dat hij afvallig is. Het is aan eiser om te stellen en aannemelijk te maken dat hij vanwege zijn afvalligheid en atheïsme bij terugkeer naar Algerije te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank volgt eisers betoog ook niet dat verweerder ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de kennis die eiser heeft over het atheïsme en zijn afvalligheid, de activiteiten die hij in dat kader heeft ondernomen en de manier waarop eiser zijn afvalligheid en atheïsme uit en wil uiten in de toekomst. De rechtbank constateert dat tijdens de gehoren gericht vragen zijn gesteld over deze onderwerpen en dat verweerder de antwoorden die eiser op deze vragen heeft gegeven ook heeft betrokken in de besluitvorming. Nu het hier om gestelde afvalligheid en een gestelde bekering tot het atheïsme gaat, waarbij zaken als kennis en activiteiten een minder zwaarwegende rol spelen, heeft verweerder hier in het bestreden besluit niet nader op in hoeven gaan dan hij nu heeft gedaan.

Toegedicht(e) afvalligheid/atheïsme

9. Uit Werkinstructie 2022/3 (paragraaf 5.5) volgt dat afvalligheid en atheïsme ook voorkomen in toegedichte vorm. Dit is het geval wanneer een vreemdeling in de ogen van anderen als afvallige of als atheïst wordt beschouwd.

Verweerder heeft bij brief van 10 juni 2025 erkend dat hij niet heeft getoetst of er bij eiser sprake is van toegedicht atheïsme. Verweerder stelt dat het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek bevat, maar hij houdt, onder verwijzing naar een aanvullende motivering, vast aan de afwijzing van eisers aanvraag. Verweerder stelt voorop dat nu de afvalligheid ongeloofwaardig is geacht van eiser verwacht mag worden dat hij zich houdt aan de in Algerije geldende norm en dus ook meedoet aan het gebed. Deze religieuze handeling is immers niet van belang voor zijn religieuze identiteit. Maar zelfs als eiser niet meedoet aan het gebed is het niet aannemelijk dat aan eiser afvalligheid zal worden toegedicht bij terugkomst in Algerije omdat eiser al was gestopt met bidden op zijn zestiende toen hij nog in Algerije woonde. Zijn omgeving was hiervan op de hoogte maar dacht niet dat hij helemaal niet meer geloofde.

Naar het oordeel van de rechtbank is voorgaande motivering onvoldoende om het motiveringsgebrek te herstellen. Eiser heeft er ter zitting namelijk terecht op gewezen dat verweerder in zijn brief van 10 juni 2025 voorbij gaat aan eisers verklaring dat hij in Algerije nog wel vastte maar dat hij zes à zeven jaar geleden gestopt is met deelname aan de ramadan. Zoals ook in Werkinstructie 2022/3 staat, is dit een omstandigheid die een rol kan spelen bij de beoordeling van toegedichte afvalligheid en atheïsme. Verweerder had deze omstandigheid daarom bij zijn beoordeling moeten betrekken. In zoverre is het beroep gegrond. Bij zijn alsnog te maken beoordeling moet verweerder tevens ingaan op het door eiser op zitting naar voren gebrachte betoog dat het niet meedoen aan de ramadan eerder opvalt dan het niet deelnemen aan het gebed, omdat er meer sociale controle is op deelname en eten drinken ook zichtbaarder zijn.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op om binnen acht weken opnieuw te beslissen op eisers aanvraag;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?