[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
Eiser heeft op 7 april 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en F. El Haji als tolk. De gemachtigde van verweerder is met voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2000. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is. In 2019 heeft eiser aan zijn vriend gevraagd of hij naar eisers huis kon komen. Eisers broer heeft hem en zijn vriend betrapt en eiser vervolgens mishandeld. Eiser is als gevolg hiervan in het ziekenhuis beland. Eisers grootvader heeft hem daarna geadviseerd Marokko te verlaten. Eiser vreest bij terugkeer vermoord te worden door zijn broers.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van dit asielmotief en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft niet inzichtelijk verklaard over de bewustwording van zijn seksuele gerichtheid en heeft summier verklaard over zijn vriend in Marokko en zijn gevoelens voor hem. Ook heeft eiser beperkte kennis over de lhbti-gemeenschap en -wetgeving in Marokko en in Nederland. Eiser heeft oppervlakkig en algemeen verklaard over de situatie van homoseksuelen in Marokko. De verklaringen over de problemen met zijn broers zijn niet aannemelijk. Verder heeft verweerder betrokken dat eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Dat eiser uit Marokko komt is onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op meerdere gronden.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder vindt eisers homoseksuele gerichtheid ten onrechte niet geloofwaardig. Verweerder heeft het toetsingskader voor de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid onjuist toegepast nu hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de culturele context en taboesfeer in Marokko. Verweerder heeft daarom ook onvoldoende rekening gehouden met eisers referentiekader. Daarnaast is de beoordeling van eisers risicovolle gedrag onzorgvuldig geweest. Verweerder acht het ongeloofwaardig dat eiser thuis seks had met zijn vriend terwijl zijn broer toegang had tot de woning maar houdt hierbij onvoldoende rekening met de beperkte mogelijkheden die lhbti’ers in repressieve landen hebben. Tevens stelt eiser dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij niets weet te vertellen over de situatie van lhbti-gemeenschap in Nederland. De wetenschap van eiser dat hij beschermd wordt in Nederland is voldoende om zijn leven hier te leiden. Eiser heeft geen behoefte en voelt geen noodzaak om meer te weten te komen over de lhbti-gemeenschap in Nederland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
6. Bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van eisers seksuele gerichtheid, dient verweerder Werkinstructie (WI) 2019/17 als uitgangspunt te nemen. Volgens deze werkinstructie moet verweerder bij beoordeling rekening houden met de omstandigheid dat het voor een vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij lhbti is. De enkele stelling van de vreemdeling dat hij lhbti is, is niet voldoende. Verweerder maakt een individuele afweging die onderdeel is van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, waarbij alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken en in onderlinge samenhang worden gewogen. Het is aan de vreemdeling om de gestelde seksuele gerichtheid tegenover verweerder aannemelijk te maken. Het bepalen van welk gewicht toekomt aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld over iemands seksuele gerichtheid, is sterk afhankelijk van de individuele zaak. Verweerder houdt, net als tijdens het gehoor, hierbij rekening met het referentiekader van de vreemdeling. Bij de beoordeling wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met hetgeen bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van lhbti’ers in het land van herkomst). Het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaringen. Als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar lhbti-gerichtheid niet wordt geaccepteerd en misschien zelfs strafbaar is, mag van een vreemdeling worden verwacht dat hij inzicht kan geven in een denkproces over wat het betekent om anders te zijn dan de maatschappij of wet verlangt en hoe hij daar invulling aan geeft.
Verweerder moet de gestelde seksuele gerichtheid in ieder geval aan de hand van de volgende vier thema’s beoordelen:
Privéleven;
Huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti-groepen;
Contact met lhbti’ers in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie; en
Discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers seksuele gerichtheid ongeloofwaardig is. De rechtbank overweegt dat verweerder, ondanks de omstandigheid dat in Marokko een taboesfeer heerst rondom homoseksualiteit, van eiser heeft mogen verwachten dat hij inzichtelijk en in zijn eigen bewoordingen heeft kunnen verklaren over zijn relatie(s) en hoe hij zijn seksuele gerichtheid heeft ervaren en welke gevoelens en gedachtes hij daarbij heeft gehad. Anders dan eiser betoogt heeft verweerder, zowel tijdens het gehoor als in het bestreden besluit, voldoende rekening gehouden met eisers achtergrond en referentiekader.
Daarnaast heeft verweerder, anders dan eiser betoogt, het opmerkelijk kunnen vinden dat eiser vrijwel niks weet over de lhbti-gemeenschap en lhbti-gerelateerde wetgeving zowel in Marokko als Nederland terwijl eiser Marokko volgens zijn verklaringen heeft verlaten omdat hij daar gevaar liep vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Daarbij heeft verweerder met name opmerkelijk kunnen vinden dat eiser er niet van op de hoogte was dat homoseksualiteit strafbaar is in Marokko. Ook heeft verweerder mogen verwachten dat eiser basiskennis heeft over hoe in Nederland wordt omgegaan met lhbti-rechten, juist om erachter te komen of hij in Nederland wel veilig is en geen gevaar loopt. Dit geldt temeer nu eiser al sinds 2019 in Europa verblijft en sinds 2024 in Nederland. Eisers stelling dat de wetenschap dat hij hier veilig is voldoende is om hier te verblijven en contact te onderhouden met andere lhbti-personen, verklaart niet waarom eiser alvorens hij asiel aanvroeg in Nederland zich niet enigszins heeft verdiept in de situatie van lhbti’s in Nederland.
Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eisers problemen met zijn broers niet geloofwaardig zijn. Hoewel op verweerders tegenwerping over het door eiser genomen risico, door met zijn vriend bij hem thuis af te spreken terwijl zijn ouders en broer naar een huwelijk waren, in dit geval wellicht wel wat valt af te dingen, mocht verweerder het vreemd vinden dat eiser geen verklaring kan geven voor het feit dat hij niet heeft nagedacht over het eventueel zoeken van veiligheid in Marokko en dat eiser niet kan verklaren waarom zijn broer hem – ondanks zijn gestelde heftige bedreigingen – niet (alsnog) meer zou hebben aangedaan toen eiser nog in Marokko was.
Zwaarwegendheid
7. Nu verweerder eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig heeft mogen vinden en eiser geen andere individuele omstandigheden of gerichte problemen naar voren heeft gebracht, heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser geen vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Dat betekent dat verweerder de aanvraag op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.