[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Soedanese nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. Bij besluit van 29 juli 2025 heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw (de maatregel). Daarnaast heeft het COa op dezelfde datum besloten om eiser in een HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit).
Eiser heeft tegen deze maatregelen beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep met de uitspraak van 12 september 2025 ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen het plaatsingsbesluit loopt nog. Tegen de maatregel staat geen hoger beroep open en dus staat de hiervoor genoemde uitspraak in zoverre in rechte vast.
Eiser heeft tegen de maatregel op 2 december 2025 opnieuw beroep ingesteld. Op 10 december 2025 heeft eiser aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 11 december 2025 een verweerschrift overgelegd. Eiser heeft op 11 december 2025 aanvullende gronden ingediend.
Verder heeft eiser beroep ingesteld, en om een voorlopige voorziening gevraagd, tegen de besluiten om hem in de ROV-kamer te plaatsen. Op het verzoek om een voorlopige voorziening wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door een tolk, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Wat vindt eiser?
3. Eiser verzoekt de plaatsing in de HTL op te heffen omdat sprake is van onrechtmatige vrijheidsontneming of vrijheidsbeperking.
Primair voert eiser - kort gezegd - aan dat sprake is van een onrechtmatige bewaring. Doordat de HTL-plaatsing inmiddels meer dan dertien weken duurt is sprake van vrijheidsontneming. Daarnaast speelt een rol dat eiser al meer dan elf weken in de ROV-kamer verblijft en hij zich niet vrij kan bewegen door de HTL. Het feit dat een verblijf in de ROV-kamer niet meetelt voor de maximale termijn van het verblijf in de HTL, betekent niet dat het verblijf in de HTL onbegrensd is. Wanneer het verblijf in de ROV-kamer niet wordt meegeteld, bestaat er geen of onvoldoende juridisch kader dat het verblijf in de HTL maximeert en wordt er niet voldaan aan het voorzienbaarheidscriterium. Eiser vraagt zich daarnaast af of de HTL wel de meest geschikte locatie is voor zijn verblijf, gelet op zijn psychische klachten. Eiser stelt dat een verblijf in de IBO of in Veldzicht mogelijk passender is en verzoekt de rechtbank deze minder vergaande oplossing te onderzoeken door een sociaal medisch advies op te laten stellen.
Subsidiair voert eiser - kort gezegd - aan dat het voortduren van de vrijheidsbeperkende maatregel onrechtmatig is. In de eerste plaats omdat de maximumduur van dertien weken is overschreden. In de tweede plaats omdat de ROV-maatregel geen juiste grondslag heeft.
Wat vindt de minister?
4. De minister stelt dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep. Deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft namelijk bij uitspraak van 12 september 2025 al een oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeperkende maatregel van 29 juli 2025. In de wetgeving is geen afzonderlijke procedure opgenomen voor het instellen van een beroep tegen het voortduren van een vrijheidsbeperkende maatregel. Voor zover eiser stelt dat sprake is van vrijheidsontneming, verwijst de minister naar de Afdelingsuitspraak van 11 september 2024. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat zowel het verblijf in de HTL als het verblijf in de ROV-kamer geen vrijheidsontneming is. Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank dient eerst te beoordelen of zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank stelt vast dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsbeperkende maatregel. Deze vrijheidsbeperkende maatregel heeft de rechtbank al eerder getoetst en niet onrechtmatig bevonden. De rechtbank is met de minister van oordeel dat er geen wettelijke grondslag bestaat om de voortduring van de vrijheidsbeperkende maatregel te toetsen. Eiser heeft weliswaar in zijn beroepschrift een verzoek tot opheffen van de maatregel gedaan, maar het is aan de minister om dit verzoek te beoordelen. Vervolgens kan eiser, bij een afwijzing, hiertegen in bezwaar en daarna in beroep. Dit betekent dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank komt daarom ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de door eiser aangevoerde beroepsgronden.
Voor zover eiser opkomt tegen het plaatsingsbesluit valt dit buiten de omvang van deze procedure, omdat het hoger beroep daartegen nog loopt.Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.