ECLI:NL:RBDHA:2025:24826

ECLI:NL:RBDHA:2025:24826, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, NL25.60989

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 22-12-2025
Zaaknummer NL25.60989
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vervolgberoep bewaring – voortvarend handelen – lichter middel – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.60989

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.Z. Sayin),

en

(gemachtigde: mr. L. Hartog).

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Ook daarop heeft eiser gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 19 december 2025.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1982 en de Turkse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 26 november 2025.

4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht. Eiser wenst zo snel mogelijk overgedragen te worden. Hij heeft daarom ook het beroep tegen het overdrachtsbesluit en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Daarna heeft hij DT&V verzocht om te onderzoeken of hij eerder dan 23 december 2025 overgedragen kan worden. DT&V heeft meegedeeld dit niet te proberen, omdat er een ondertekende gezondheidsverklaring ligt en er een 10-werkdagentermijn staat voor het verstrekken van medische informatie voorafgaand aan de overdracht. Verweerder heeft onvoldoende voortvarend gehandeld door de benodigde medische informatie niet direct te delen toen de overdrachtsdatum werd vastgesteld, dus op 5 december 2025. Dan kon ook de overdracht eerder plaatsvinden. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 29 december 2017 stelt eiser dat het verzenden van medische informatie een handeling ter voorbereiding van de overdracht is, dus hoeft verweerder niet te wachten tot een overdrachtsdatum bekend is. Verweerder heeft, in ieder geval sinds 6 december 2025, verwijtbaar stilgezeten. Daarnaast heeft eiser een epileptische aanval gehad op zijn cel, waardoor hij pijnklachten heeft ontwikkeld aan zijn duim. Hij heeft sinds 10 december 2025 gewacht op een verwijzing en transport naar een ziekenhuis. Op 14 december 2025 is een spoedbeoordeling aangevraagd en op 15 december 2025 zou hij naar het ziekenhuis worden gebracht. Als eiser in vrijheid was geweest, had hij direct naar de Eerste Hulp kunnen gaan. Nu heeft hij ruim vier dagen moeten wachten op een arts, aangezien eerst nog een transport- en spoedbeoordelingsverzoek ingediend moest worden. Eiser meent dan ook dat zijn belang bij invrijheidsstelling en toegang tot de noodzakelijke medische zorg voor zijn duim (en zijn epilepsie), die hij in vrijheid zou kunnen verkrijgen, zwaarder weegt dat het belang van verweerder bij de bestreden maatregel. Daarbij speelt mee dat eiser al vanaf de aanvang van de maatregel heeft verklaard vrijwillig te willen terugkeren naar Duitsland.

5. Uit de aankondiging van de overdracht, verzonden aan de Duitse autoriteiten, blijkt dat een health certificate is meegezonden. Hierin zijn de bekende medische klachten opgenomen. Dit maakt dat de Duitse autoriteiten op 5 december 2025 op de hoogte zijn gesteld van de medische klachten van eiser. In het geval van eiser diende de overdracht minstens 10 werkdagen voorafgaand aan de overdracht te worden aangekondigd bij de autoriteiten van Duitsland. Er is namelijk sprake van een medische situatie, zoals omschreven in het claimakkoord. Verweerder heeft in het verweerschrift voldoende gemotiveerd uitgelegd waarom de overdracht is gepland op 23 december 2025. Gelet op de termijn van 10 werkdagen en omdat nog een beroep aanhangig was bij de rechtbank is hiervoor gekozen. Vervolgens heeft eiser op 9 december 2025 zijn beroep en verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Vervolgens is nog geïnformeerd bij DT&V of een eerdere overdracht mogelijk was, maar wegens de termijn van 10 werkdagen bleek dit niet mogelijk. 10 werkdagen na 9 december 2025, de dag waarop het beroep was ingetrokken, is overigens 23 december 2025. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser.

6. In het geval eiser niet tevreden is met de wijze waarop de medische zorg in het detentiecentrum wordt verleend, geldt dat de bewaringsrechter volgens de Afdeling niet kan oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld. Daarvoor staan andere rechtsmiddelen open, zoals beklag. Uit het medisch dossier blijkt dat eiser op 10 december 2025 melding heeft gemaakt van zijn pijnklachten, waarna hij op die dag ook door de medische dienst is gezien. Dit betekent dat eiser niet verstoken is geweest van medische hulp. Daarnaast is gebleken dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, waaruit een significant risico op onttrekking aan het toezicht blijkt, nog altijd van toepassing zijn. De stelling van eiser dat hij vanuit vrijheid toegang heeft tot betere zorg, is onvoldoende om te kunnen stellen dat kan worden volstaan met een lichter middel. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, aanleiding hadden moeten geven om eisers belang zwaarder te laten wegen en de bewaring op te heffen.

7. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 22 december 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.J. Schouw

Griffier

  • mr. J. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?